|
Open oren, glanzende ogen
1 Samuël 3
Ik ben dol op muziek, maar
dan liever niet door mijn telefoon. Niet omdat muziek dan nogal blikkerig
klinkt, maar vooral omdat je dan dus in de wacht staat. Af en toe wordt de
muziek abrupt onderbroken door een vrouwenstem: “Al onze medewerkers zijn
in gesprek, een ogenblik geduld alstublieft…” Of: “Er zijn nog zeven
wachtenden voor u.” Het spijt me, maar zoveel geduld kan ik niet altijd
opbrengen. Dan hang ik maar op, het duurt te lang om contact te krijgen.
Blijkbaar hebben ze het zo druk met andere dingen, dat een goed gesprek met
mij niet lukken gaat. Ik probeer het later nog wel eens een keer, als het
wat rustiger is. Misschien is er dan iemand die naar me luisteren wil.
Er was een tijd, dat God als het ware ook zo’n bandje te horen kreeg. De
mensen hadden het te druk met andere dingen. Toch gaf Hij het niet op en
bleef Hij contact zoeken. Tot er iemand gehoor gaf en luisteren wilde.
Lezen:
1 Samuël 3:1 – 4:1
Het was een donkere tijd,
die periode waarover ons bijbelgedeelte gaat. Het sluit naadloos aan bij het
slot van het boek Rechters: “In die tijd was er
geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was.”
(Rechters 21:25) En zo
konden allerlei wantoestanden ontstaan die zelfs tot in het heiligdom van
God waren doorgedrongen: “De zonen van Eli waren
een stel afpersers. Ze trokken zich niets van de HEER aan en maakten
misbruik van de rechten die aan het priesterambt verbonden zijn. Wanneer
iemand een offerdier liet slachten, dan kwam er als het vlees gaar was een
priesterknecht met een drietandige vork. Daarmee prikte hij in de pot, de
pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende
de priester zich toe. Zo verging het alle Israëlieten die in Silo kwamen
offeren. Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het
vet opsteeg eisen: ‘Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar
wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!’ Als dan degene die aan het offeren
was antwoordde: ‘Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u
nemen wat u hebben wilt,’ zei de knecht: ‘Geef op! Anders neem ik het met
geweld!” (1 Samuël 2:12-16)
Verder sliepen ze met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van het
heiligdom. (2:22) Hun
vader Eli trad hier niet tegen op en ze luisterden dan ook niet naar zijn
opmerkingen over hun gedrag.
In het begin van hoofdstuk drie staan vier aanduidingen, die het
godsdienstig verval goed illustreren:
- er klonken zelden woorden van God;
- er braken geen visioenen door;
- Eli’s ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien;
- De godslamp was bijna uitgedoofd.
En aansluitend volgt dit verhaal in de nacht: een verhaal van nieuw licht in
het donker, van luisteren in de stilte, van een nieuwe ziener die de bijna
blinde opvolgt. Opvallend in deze tekst is het spel met donker en licht, met
spreken en zwijgen, met zien en niet zien. We volgen dit spel door die vier
aanduidingen van zojuist stuk voor stuk beter te bekijken.
1. Er klonken zelden woorden van God
Gods stem was een zeldzaamheid geworden. Aangrijpend eigenlijk, want onze
God is de enige God die spreekt. Bijna alle (af)goden zwijgen, maar al sinds
het begin van de bijbel is Hij de Sprekende: Hij sprak en het was er.
Johannes omschrijft dat poëtisch aan het begin van zijn evangelie:
“In het begin was het Woord, het Woord was bij God
en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan
en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en
het leven was het licht voor de mensen. … Het Woord is mens geworden en
heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn
grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.”
(Johannes 1:1-4,14 Ook hier weer het spel met de
woorden licht, woord en zien)
God is de Sprekende, maar de Sprekende zwijgt… Spreken heeft te maken met
contact; met relaties beginnen en levend houden. Zonder goede openingszin is
het moeilijk contact maken met een leuke jongen of meid in de disco. Zonder
goede diepgaande gesprekken kun je een relatie niet in stand houden. Wie
ruzie heeft, praat niet meer met de ander. Zo’n situatie hebben we dus ten
tijde van Eli. God dreigt het contact met zijn volk te verliezen. Israël
heeft het te druk met andere dingen, de relatie staat op het spel.
Maar dat accepteert God niet. Hij heeft zich verbonden aan dit volk! In
Samuël ziet Hij nieuwe kansen om het contact te herstellen en daarom roept
Hij deze jongen. Hij verbreekt het zwijgen, maar pas bij de vierde keer
roepen krijgt Hij contact.
2. Er braken geen visioenen meer door
Gezichten waren niet talrijk meer, het zicht op Gods boodschappen was bijna
verdwenen; de tweede aanduiding van geestelijke duisternis. God had haast
geen mogelijkheden meer om zich te laten horen, maar dus ook niet om iets
van zich te laten zien. De mensen waren doof en blind geworden voor zijn
aanwezigheid. Wellicht omdat ze niets meer in Hem zagen? Door het gedrag van
Eli’s zonen, waren ze de eredienst en het offeren gaan minachten. Hoofdstuk
2:17 zegt: “De HEER nam het wangedrag van Eli’s
zonen zeer hoog op; ze toonden geen eerbied voor de gaven die de HEER
toekwamen.” Een andere vertaling is ook mogelijk:
“de mensen verachten het offer van de Here.”
In de grondtekst staat er namelijk ‘de lieden…’ Het is dus maar net
op wie je die woorden laat slaan. Misschien wel gewoon op zowel Eli’s zonen
als op de Israëlieten: doordat er geen eerbied was voor de gaven die de Heer
toekwamen, gingen de mensen het offer minachten.
Door het gedrag van Eli’s zonen werd de offerdienst geblokkeerd en daarmee
verdween het zicht op Gods relatie met zijn volk! Door offers kon je
tenslotte je dankbaarheid aan God tonen of je zonde voor Hem belijden en
vergeving vragen. Daarom nam God dit wangedrag zo hoog op! De priesters – de
geestelijke leiders – stonden het contact tussen God en Israël in de weg.
Door de eredienst in het heiligdom kon je Gods liefde en zorg voor de mensen
zien en ervaren, maar dat werd onmogelijk gemaakt door menselijke hebzucht,
egoïsme en sexuele lust, waardoor God werd verlaagd tot een vreet- en
prostitutiegod. Het zuivere zicht op Zijn liefde en zorg verdween. Hij werd
de onhoorbare en de onzichtbare, de afwezige i.p.v. JHWH – de Aanwezige, de
Ik ben Erbij!
Maar ook dit accepteert God niet. In Samuël ziet Hij nieuwe kansen om zich
te laten zien. In vers 10 van ons hoofdstuk lezen we, dat God bij Samuël
kwam staan. Dat is dus meer, dan alleen maar roepen! God komt dichterbij uit
het duister, Hij laat iets van zijn aanwezigheid merken, vaag zichtbaar.
Samuël krijgt zijn eerste visioen, het breekt weer door vanuit het donker
van het heiligdom.
3. Eli’s ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien
En dat alles gebeurde terwijl Samuël onder de hoede van Eli was. Letterlijk
staat het er nog veel diepzinniger: “De jonge
Samuël hielp bij de eredienst onder toezicht van Eli.”
(3:1 - GNB) Onder toezicht;
weer dat spel met ‘zien’. Beetje wrang eigenlijk: onder toezicht staan van
een bijna blinde…
Een ziener met doffe ogen.
Ik denk dat je het behalve letterlijk ook figuurlijk – geestelijk – mag
uitleggen: Eli had ook geen juist zicht meer op wat God wil. Hij was niet
meer de geestelijke leider van Israël. Niet alleen zijn ogen zijn zwak
geworden, ook zijn optreden is zwak geworden. Kijk maar hoe hij zijn zonen
tot de orde roept, het maakt geen enkele indruk en ze veranderen niet. God
verwijt Eli zelfs via een ándere godsman (!), dat hij geen haar beter is dan
zijn zoons. Doordat hij niet krachtig optreedt, is hij mede schuldig aan de
wantoestanden: ”… jullie gaan je te buiten aan het
vlees en het brood dat volgens mijn voorschrift bij het heiligdom wordt
geofferd. Kennelijk sla je je zonen hoger aan dan mij, want je mest jezelf
vet* door steeds het beste deel op te eisen van de offers die mijn volk
Israël mij brengt.” (2:29 *Let overigens
op Eli’s doodsoorzaak: hij was dik! 4:18)
4. De godslamp was bijna uitgedoofd
En dan die ietwat geheimzinnige zin: “De godslamp
was bijna uitgedoofd.” Het heeft iets dubbelzinnigs. De vertaling
van NBG’51 geeft dat in mijn ogen nog beter weer:
“Nog was de lamp Gods niet uitgegaan.”
(Letterlijke hebreeuwse vertaling: “En de lamp van God nog niet was
uitgegaan/uitgedaan.”)
Letterlijk gaat het gewoon om de lamp in het heiligdom, de kandelaar in het
heilige. Waarschijnlijk brandde die kandelaar alleen van de avond tot de
morgen. (zie Exodus 27:21 en Leviticus 24:3)
Maar… zou je het misschien ook symbolisch mogen opvatten? De lamp van God
was nog niet uitgegaan: er scheen zwakjes nog wat licht van God in een
duistere tijd?
‘De godslamp was bijna uitgedoofd’ kun je natuurlijk dreigend
opvatten: nog even en de duisternis zou toeslaan. Maar je kunt het ook
hoopvol en bemoedigend opvatten: nog éven en het wordt dag, dan
is er weer licht. Het zinnetje is op zich in het verhaal overbodig: het is
heus wel duidelijk dat het nacht is, ook zonder deze toevoeging. Daarom lees
ik er vooral de bemoediging in, dat in de donkere nacht nog wel een glimpje
licht is op te vangen! Juist daar in het heiligdom waar de ark van het
verbond staat, waar de lamp van God altijd licht verspreid. Ook als het op
geestelijk gebied duister is geworden.
De eredienst was een vreetfestijn geworden, een religieuze poppenkast.
Priesters namen een loopje met Gods heilige voorschriften en met hun
voorbeeldfunctie. Oprechte gelovigen lieten het huis van God maar links
liggen. Maar deze lamp spreekt van hoop en bemoediging. De reden voor die
hoop is de jonge Samuël, hij zou het licht weer zichtbaar maken, hij zou de
nieuwe ziener worden. Door Samuël gaat God zich weer laten zien en horen!
(3:19 - 4:1a)
Nee, dan Eli, die toch ooit het voorbeeld was voor Israël, hij was
uiteindelijk veertig jaar een rechter van Israël. (zie 4:18) Hoe was hij dan
toch zo’n zwakke en gezagsloze vader geworden? Was het echt alleen maar zijn
hoge leeftijd? Ik geloof het niet. Volgens mij was er ook een geestelijke
zwakte bij Eli ontstaan – en dan niet op het gebied van z’n verstandelijke
vermogens. Ik bedoel, dat hij verslapt was in zijn relatie met God. Een
vader die dicht bij God leeft – met God wandelt – zal uit eerbied voor Gods
heiligheid zijn onheilige zonen straffen – misschien zelfs de toegang tot
het heiligdom ontzeggen. Maar Eli toont in het toespreken van zijn zonen
geen kracht, geen heilige boosheid, zoals je bij andere godsmannen tegen
kunt komen.
Zwakke ogen
Wat geeft mij eigenlijk het recht om zo over Eli te spreken? Het zit ‘m in
één enkel woordje, dat in het licht van het woordenspel met licht, zien en
donker een geestelijke betekenis krijgt. In vers 2 staat:
“zijn ogen waren dof geworden; zijn ogen begonnen zwak
te worden.” Het Hebreeuwse woord (
) dat er staat, is ‘ayin’, vergelijk het engelse ‘eyes’.
Ayin is zowel een woord als een getal. Het woord wordt ook gebruikt
voor ‘bron, fontein’ en voor ‘rechteroog’. (Zie
Strongs codering 05869 voor alle plaatsen waar ‘ayin’ in de grondtekst
voorkomt.) Zoals tranen uit de ogen kunnen
opwellen, zo komt er water uit een fontein. Zoals het oog een spiegel kan
zijn, zo kun je jezelf zien in het water van de bron. En het rechteroog is
het oog van de boogschutter, die goed wil richten; of van de vakman: het
timmermansoog dat récht ziet.
De letter ‘ayin’ heeft als getalswaarde 70, een getal dat in de
hebreeuwse getallenleer staat voor een hoger niveau dan de 7. De 7 is ook
een heilig getal, want het is de som van 3 (God) en 4 (de aarde). 70 staat
dan voor veelkleurige wijsheid, een grote volheid.
Een man van 70 was door zijn hoge leeftijd (Psalm
90:10) een ervaren mens geworden: in staat om in
de verwarrende hoeveelheid van dingen in het leven te onderscheiden waar het
op aan komt; om als het ware een timmermansoog te hebben voor Gods
doorgaande rechte lijn, om ‘ziener’ te zijn.
Een ziener staat in contact met de bron, de levensfontein. Dé Bron van
Levend Water is God zelf, zie Johannes 4:14: “…wie
het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water
dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig
leven geeft.” Hier zien we de link met de geestelijke betekenis
van het woord ‘ayin’. Bij de bron kun je God zien, bij de bron blijvend ziet
God jou.
Denk maar aan Hagar, die vluchtte voor Sara, terwijl ze zwanger was van
Ismaël. Bij een bron ontmoet ze God, die alles weet van wat er gebeurd is en
ook weet hoe ellendig ze er nu aan toe is. God spreekt daar met haar.
Bemoedigd gaat ze weer terug naar Abraham en Sara. De bron noemt ze
Lachaï-Roï, want: “U bent een God van het zien.
Want, zei ze, heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?”
(Genesis 16:7-14)
Of denk aan de Samaritaanse vrouw die Jezus bij de bron ontmoet en tot het
inzicht komt dat Hij de Messias is. Opvallend hoe vaak we in de bijbel
lezen, dat God en mensen elkaar ontmoeten bij een bron. Zoals water van
levensbelang is voor mensen, zo is een ontmoeting met God blijkbaar ook van
levensbelang voor ons!
Als we al deze betekenissen van het woord ‘ayin’ mee laten klinken in dit
verhaal, kunnen we misschien wel concluderen, dat Eli niet meer dicht bij de
levensfontein leefde. Hij liet zich niet meer volledig voeden door de Bron.
Nee, hij liet zich vooral voeden met het beste deel van de offergaven…
De bron van leven in hem was – net als zijn ogen – vertroebeld geraakt.
Daardoor was hij ondanks zijn hoge leeftijd van boven de 70 (= ayin) jaar
geen ziener meer. (vgl. 3:21, 4:1, 4:15 > Eli zal
80 á 90 jaar oud zijn geweest) Zijn geestelijke
ogen waren ook zwak en dof geworden. De glans was er uit, hij zag Gods
rechte lijnen niet meer scherp. En dat blijkt ook uit hoofdstuk 2:29: Eli
zondigde door mee te eten van het offervlees dat voor God bestemd was én hij
eerde – volgens Gods aanklacht – zijn zonen boven God.
Waar was dus het grote voorbeeld van de ziener-priester-richter? Hij leefde
zelf in onheiligheid ten opzichte van de Heilige. Niet alleen door het
gedrag van zijn zonen ging het volk de eredienst verachten, ook door Eli’s
zwakke optreden en medeplichtigheid was dat zo.
Misschien was het Woord van God dáárom wel schaars geworden en waren de
visioenen dáárom niet talrijk meer. Want hoe kan de Heilige God zich
openbaren aan een onheilige, geestelijk bijna blinde ziener!? Misschien
duurde het dáárom zo lang, voordat Eli doorhad dat het Góds stem was, die
Samuël riep? Want als je iemand door en door kent, herken je zijn stem uit
duizenden.
Zo spreekt Jezus ook over zichzelf als de Goede Herder en over ons als zijn
schapen: “Ik ben de goede herder. Ik ken mijn
schapen en mijn schapen kennen mij… De schapen luisteren naar zijn stem, hij
roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Wanneer hij
al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de
schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Iemand anders volgen ze niet,
ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.”
(Johannes 10:3-5, 14)
Samuël kende de stem van zijn Herder nog niet (3:7),
maar dat kun je hem moeilijk kwalijk nemen. Eli was echter de ziener van
Israël, een rechter en de oudste priester in het heiligdom, hij woonde al
vele jaren in het gebouw waar de verbondskist van God stond. En uitgerekend
de geestelijk leider kende de stem van Here niet goed meer. Dat is wél
kwalijk!
Maar gelukkig: de lamp van God is nog brandend, er is nog vaag wat licht. En
het wordt snel ochtend: een nieuwe dag staat er aan te komen. God is zijn
volk altijd genadig, Hij zorgt steeds weer voor nieuwe kansen. Samuël was
door God uitgekozen om dicht bij Hem te leven. In de NBG’51-vertaling staat
het heel ontroerend: “De jonge Samuël groeide
intussen op bij de HERE.” (2:21)
Opgroeien bij de Here – dat is dicht bij de Bron met levend water,
zodat Samuël kon uitgroeien tot de grote ziener van Israël. Wat werd zijn
leven en werk als man van God een zegen voor het volk Israël: door zijn
visioenen kregen de mensen Gods woorden weer te horen! Israëls sprekende God
kreeg weer gehoor en Hij kon weer de Aanwezige zijn.
Het verhaal van Samuëls roeping is ook een zegen en bemoediging voor
vandaag.
- Het troost ons, wanneer we tot ons verdriet zien, dat in de
kerkelijke wereld veel – vaak ook leidinggevende - mensen de Bron verlaten
en geestelijk zwakkere ogen krijgen. Dan kun je je vasthouden aan die
prachtige zin: ‘nog gaat de godslamp niet uit!’ Het licht blijft branden, er
komt een nieuwe dag.
- Het verhaal van Samuël is ook een oproep om zelf dicht bij de Bron
te blijven, om zuiver te blijven zien. Geen doffe ogen, maar glanzende ogen
die Gods doorgaande werk ontdekken en herkennen. Want alleen bij de Bron kun
je God ontmoeten en leren kennen. Dan kun je ook zijn stem gaan horen en
beantwoorden. Hij kent jou in elk geval al wel, zoals Hij ook Samuël bij
zijn naam riep. Misschien heb je alleen nog mensen nodig, die je op Gods
roepen wijzen, zoals Eli dat bij Samuël deed.
- In de derde plaats is het een waarschuwing om niet alleen dicht bij
God te leven – dat deed Eli in letterlijke zin ook wel – maar vooral met
respect voor Gods heiligheid te leven. Simpel gezegd: blijf niet vastzitten
in de zonde! Want zonde staat het luisteren náár en het zien ván God in de
weg. (zie 1 Johannes 2:15-17!)
Gelukkig kent God ons. Hij
weet dat we zondigen en daarom hebben wij in Jezus een pleitbezorger bij de
Vader. (1 Johannes 2:1)
In Jezus Messias heeft het Woord van God zich in optima forma aan de mensen
laten zien en horen: “Het Woord is mens geworden en
heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn
grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.”
(Johannes 1:14)
Hij is Gods ultieme Roepstem, Hij is de ultieme Godslamp. Hij is het Licht,
het Leven. Hij heeft ons God doen kennen (Johannes
1:18) en ons later Zijn Heilige Geest gegeven.
Daardoor is het ook voor ons mogelijk om dicht bij en met God te leven,
zoals de kleine jongen die in het heiligdom van Silo sliep. Zo vertrouwd en
zo intiem met God! Hij mocht met glanzende ogen en open oren een glimp van
God opvangen en de stem van de Heer horen…
Ben je jaloers op Samuël? Dat hoeft niet, want het is ook voor jou
weggelegd, Godzijdank!
Amen
Christengemeente Soest, 22 januari 2006
Het woord AYIN schrijf je in het hebreeuws als volgt:

Je leest deze tekens van rechts naar links.
- De eerste letter is dan de ayin zelf. Met een beetje fantasie zie je daar
ook twee ogen in met een neus of met een mond.
- De tweede letter is de
jod. Jod of jad betekent ‘hand’, daar komt ons Amsterdamse woord ‘jatten’
vandaan! Iemand die zijn geestelijke ogen op God gericht houdt, ziet overal
Gods hand in.
- De derde letter is de nun. Deze letter staat voor ‘verlossing’. Wie
geestelijk gezonde ogen heeft, ziet overal Gods verlossende hand in! Denk
maar aan Jozua, de zoon van … Nun! Jozua betekent ‘redder’. Trek dit eens
door naar Jezus: Jeshua (redder) de zoon van Nun (de verlosser).
De bijbelteksten in deze preek zijn – tenzij anders
aangegeven – ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands
Bijbelgenootschap 2004
|