![]() |
|
| Deze preek lezen als PDF-bestand | Deze preek downloaden als Worddocument |
|
Is er leven na kerst?
Na de romantiek en
gezelligheid van kerst en het lieve kindje in de voerbak, komen we nu zo
langzamerhand weer terecht in de harde werkelijkheid. Morgen beginnen de
scholen weer, het alledaagse werk wacht… De kerstbomen zijn verbrand, de
ballen en lampjes weer netjes opgeborgen, toch? Volgens een oude
volkswijsheid brengt het ongeluk als je na 6 januari nog kerstversiering in
huis hebt. Op 6 januari vieren de katholieke gelovigen Driekoningen, als
herinnering aan het bezoek van de wijzen uit het Oosten.
Lezen: Matteüs 2:1-18
1 Toen
Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes,
kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de
pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en
zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij
dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en
schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de Messias
geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo
staat het geschreven bij de profeet: 6 “En jij, Betlehem in het land van
Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt
een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in
het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de
ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met
de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij
bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer
te bewijzen.’ 9 Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg,
gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit,
totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze
dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen
en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer
te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het
kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 Nadat ze in een droom
waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een
andere route terug naar hun land.
Die laatste drie verzen beschrijven wel heel sober de gruwelijke dingen die zich in Betlehem hebben afgespeeld. Maar als je het je indenkt, kun je dat gevoel van ‘niet getroost willen worden’ wel begrijpen. De oneerlijkheid van deze wrede, zinloze moord op onschuldige kleine kinderen is zo overweldigend! Tóch is het gebeurd en heeft het ons iets te zeggen, anders stond het denk ik niet in de Bijbel. Om te zoeken naar een antwoord op de vraag “Waarom?”, wil ik beginnen bij de sleutelfiguur uit die profetie van Jeremia: Rachel. Wie was zij en waarom wordt zij door Jeremia en Matteüs genoemd?
Rachel komen we voor het eerst tegen in Genesis 29, waar Jakob haar ontmoet na zijn vlucht voor Ezau. Rachel was een mooie vrouw en Jakob wil met haar trouwen. Zeven jaar blijft hij werken voor zijn oom Laban om Rachel te krijgen. Maar dan wordt hij door Laban bedrogen in de huwelijksnacht: hij heeft de oudere zus Lea als vrouw gekregen. Opnieuw gaat Jakob zijn oom zeven jaar dienen om ook met Rachel te kunnen trouwen. Tussen beide zussen ontstaat rivaliteit en jaloezie, omdat Jakob het meest van Rachel houdt, maar Lea krijgt kinderen en Rachel niet. Kwaad zei ze zelfs eens tegen Jakob: “Geef mij kinderen, anders ga ik dood!” Pas nadat Lea zes zonen en een dochter heeft gekregen, krijgt Rachel eindelijk een zoon. Ze noemt hem Jozef, dat betekent: “moge God me nog een zoon geven.” Toen Jakob later met zijn hele hebben en houwen vertrok, was het Rachel die een afgodenbeeldje stal. Eenmaal in het land Kanaän gekomen, bevalt Rachel van haar tweede kind. “Het was een moeizame bevalling en ze had het erg zwaar, maar de vroedvrouw zei tegen haar: ‘Troost je: je hebt er een zoon bij!’ En terwijl het leven al van haar week – want ze stierf – gaf zij hem de naam Ben-Oni. (‘zoon van smart’) Maar zijn vader noemde hem Benjamin. (‘zoon van de rechterhand’ of ‘zoon van het geluk’.) Toen Rachel overleden was, werd ze begraven langs de weg naar Efrat, het tegenwoordige Betlehem.” (Genesis 35:16-19)
Zo stond het leven van Rachel voor een groot gedeelte in het teken van kinderen krijgen, maar toch niet gelukkig worden. Krijgt ze eindelijk een eigen zoon, noemt ze die ‘ik wil er nog één bij!’ Maar toen ze die kreeg, kon ze er niet meer van genieten, omdat ze stierf. Ze wilde niet getroost worden, want het was een zoon die haar ongeluk bracht. Dat het de twaalfde zoon was in het gezin van Jakob, telde voor haar niet meer. Haar eigen ongeluk staat centraal in de naam die ze het kind gaf tijdens haar sterven.
Eeuwen later komen we de naam van Rachel weer tegen, bij de profeet Jeremia. Hij maakte mee, dat het Joodse volk in ballingschap werd gevoerd naar Babel. Die ballingschap was het gevolg van de openlijke zonden van Gods volk: ze vereerden afgoden – zelfs in de tempel – en hun eredienst was leeg en nietszeggend geworden. (Lees de eerste hoofdstukken van Jeremia maar eens en Ezechiël 8.) Uiteindelijk wil God het volk uit het beloofde land weghalen, om ze weer op het goede pad te brengen. (zie 2 Kronieken 36:15-21) Dat hadden ze kunnen weten, want Mozes had vlak voor zijn dood aan Israël voorgehouden welke zegeningen er verbonden zijn aan het houden van Gods geboden, maar ook welke vervloeking er zou volgen op het overtreden van Gods wet. Mozes noemt dan als laatste straf: “U zult worden weggerukt uit het land dat u in bezit zult nemen…” (Deuteronomium 28)
Toen de Joden in ballingschap werden weggevoerd, moesten ze zich verzamelen bij Rama. (Jeremia 40:1. Rama was de grensplaats tussen de stammen Benjamin en Efraïm. Efraïm was één van de twee zonen van Jozef, zie Genesis 41:52. Dus Rama lag op de grens van ‘de twee kinderen van Rachel’…) Vanuit die plaats verdwenen ze naar Babel. Klagend en huilend, om hun eigen ongeluk. God verwijt het hun, dat ze blijkbaar niet begrijpen, waaróm hun dit allemaal overkomt: “Wat klaag je nu over je letsel, je dodelijke wonden? Om je vele wandaden, om je talloze zonden heb ik je dit aangedaan.” (Jeremia 30:15) Als dan bij Rama de deportatie begint, klinkt daar het geklaag over alle ellende die ze moeten meemaken. Nergens lees ik in de bijbel, dat de gedeporteerden huilen over hun zonden en hun ongehoorzaamheid aan God. (Dat komt later pas, als ze in Babel zijn.) Dat maakt hun treuren als het huilen van Rachel, die treurde over haar eigen ongeluk.
Rachel wordt wel de stammoeder van Israël genoemd. Haar kinderen zijn vervullingen van de beloften aan Abraham: een ontelbaar groot volk in een prachtig, Godgegeven land. Maar toen Rachel haar eerste kind kreeg, telde dat voor haar niet zo. Ze voelde het meer als een overwinning in de rivaliteit met haar zus Lea. Je ziet het aan de naam die ze haar kind gaf: Jozef, ze wilde er nóg een zoon bij! Maar toen de twaalfde stamvader geboren werd, zag ze er wéér niet een vervuller in van Gods beloften, maar… een brenger van ongeluk. Als stammoeder van Israël is Rachel als het ware een beeld van hoe Israël met Gods beloften aan Abraham omging:
Ontroostbaar verdriet over de ellende die je overkomt, maar geen zicht op wat Gods kant van de zaak is. Dat was kenmerkend voor Rachel en voor Israël in de dagen van Jeremia.
En dan in ons bijbelgedeelte uit Matteüs komen we Rachel weer tegen. Waarom haalt de evangelist uitgerekend die tekst uit Jeremia aan bij deze vreselijke gebeurtenis?
Matteüs schreef zijn boek voor de Joden om duidelijk te maken dat Jezus de vervulling is van wat de profeten voorspeld hadden. Bewust begint Matteüs in zijn 1e vers daarom met het geslachtsregister van “Jezus Christus (= Messias), zoon van David, zoon van Abraham.” Jezus is de beloofde verlosser, zo wil Matteüs zijn lezers direct duidelijk maken. Alleen Matteüs vertelt het verhaal van de kindermoord. Wat wil hij daarmee zeggen? Dat er een verband ligt tussen het huilen van Rachel, het huilen van de weggevoerde Joden en het huilen van de mensen in Betlehem! Het is namelijk allemaal verdriet zonder zicht op Gods beloften, het is het klagen van mensen zonder hoop.
Ik wil de ernst van het verdriet in Betlehem niet wegpoetsen, absoluut niet. En ik beweer ook niet, dat de inwoners van Betlehem schuld hebben aan hun ellende. Maar ergens is Betlehem hier – net als stammoeder Rachel – een beeld van Israëls reactie op de komst van de Messias. Israël als volk had geen zicht op Gods kant van de zaak: de grote Profeet die Hij uit de hemel gestuurd had, werd niet geloofd. En hoe je het ook wendt of keert, dat ongeloof begon al direct bij Jezus geboorte in Betlehem. Er waren toch herders geweest? Die hadden toch verteld wat ze ’s nachts hadden meegemaakt? Maar “allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden…” (Lucas 2:18) Alleen verbazing, geen geloof, geen blijdschap, niemand die ging kijken. En later was er toch hoog bezoek uit het Oosten geweest? Op zoek naar een koningskind? Op het goede spoor naar Betlehem gezet door nota bene de eigen joodse schriftgeleerden? Toen kwamen de soldaten, een spoor van verbijstering en verdriet achter zich latend. Bitter geklaag. Terecht! Het is onmenselijk wreed en godgeklaagd oneerlijk wat hier gebeurde. Zeker waar. Maar in het hele verhaal lees ik nergens, dat er mensen waren, die ontdekten wie dat Kind van Jozef en Maria eigenlijk was. Niemand die nog eens met de herders ging praten over de boodschap van de engel: “ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de Messias, de Heer.” Waar was die grote vreugde, die het hele volk zou vervullen? Wie ging die profetie van Micha nog eens nalezen, om te ontdekken waarom de wijzen uit het Oosten hun lange reis naar Betlehem hadden gemaakt? Niemand had er oog voor, dat God zijn belofte van redding aan het vervullen was. Er was alleen de ontroostbaarheid van mensen zonder toekomst, zonder hoop.
Matteüs vergelijkt het huilen van de mensen in Betlehem met het huilen van Rachel en de weggevoerde ballingen: ontroostbaar vanwege hun eigen ongeluk, maar zonder oog voor Gods beloften. Daardoor versluierde het besef, dat alle ellende door menselijke fouten is ontstaan. Haat, verdriet, dood en gevangenschap zijn tenslotte gevolgen van zonde. En daarvan wil God ons juist verlossen! Dáárom werd het Kerstkind geboren in Betlehem. Zo waarschuwt Matteüs zijn lezers: ontdek toch wie dit kind werkelijk is: hij is de Messias! Blijf niet treurig vastzitten in je eigen ellende, want dan zie je Gods verlossingswerk niet. Dan leef je zonder hoop, terwijl de redding zó dichtbij is.
Wat dat betreft is het veelbetekenend om de context te lezen, waarin Jeremia over het klagen van Rachel schrijft. Het staat in een prachtige, bemoedigende profetie, die begint in hoofdstuk 30 met “de dag zal komen – zegt de HEER – dat ik het lot van mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat ik hen terugbreng naar het land dat ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen…” En het eindigt in hoofdstuk 31:25 met: ”Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!” Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen. Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’” Let wel: deze woorden worden gesproken nog vóórdat het volk wordt weggevoerd. Nog voordat de straf wordt uitgevoerd, laat God merken, dat Hij nog steeds van zijn volk houdt en dat uiteindelijk alles zal goed komen. In dát verband staat de tekst over Rachel. Lees maar eens wat er op volgt: “In Rama hoort men klagen, bitter treuren. Rachel beweent haar zonen, zij wil niet worden getroost. Haar kinderen zijn er niet meer. Maar dit zegt de HEER: Huil niet langer, droog je tranen. Je zorg voor hen wordt nu beloond – spreekt de HEER. Ze keren terug uit het land van de vijand. Je hebt een hoopvolle toekomst, je kinderen keren naar hun eigen land terug – spreekt de HEER.” Er is wel degelijk troost voor ontroostbare mensen! Huil maar niet langer, droog je tranen, er is een hoopvolle toekomst. Het doel van alle ellende was, dat Israël God weer gingen dienen; dat er bekering zou komen, zodat God kon verlossen en redden.
De mensen in Betlehem waren terecht verdrietig, het is ook afschuwelijk wat er gebeurde in die nacht dat de soldaten kwamen. Maar hun verdriet bracht ze helaas niet dichter bij de Messias. De Messias die toch door God (zó dichtbij) was gestuurd om de dood teniet te doen, want God houdt van mensen! Het moet God ook pijn en verdriet hebben gedaan. Zijn liefde wordt zo vaak niet wordt gezien of begrepen:
Maar dan blijft nog steeds die vraag onbeantwoord: “God, waarom moest dat in Betlehem zo gaan met die onschuldige kinderen!?” Ten diepste vraag je dan, of God er iets mee te maken heeft; of het wellicht Gods wil is geweest. Ik geloof niet dat het Gods wil is, dat onschuldige kinderen vermoord worden. De verantwoordelijkheid van deze gruweldaad ligt volledig bij de moordenaar, Herodes. Hij vond zijn eigen positie als koning zo belangrijk, dat hij later zelfs zijn eigen drie zonen doodde, omdat hij ze zag als persoonlijke rivalen voor de troon. Wie om zich heen kijkt in deze wereld, zal ontdekken, dat er nog steeds heel veel gruwelijke dingen gebeuren; dat er nog veel onschuldige slachtoffers vallen door geweld en haat. Is dat allemaal Gods schuld of zijn wil? Nee, dat doen ménsen elkaar aan.
Zolang mensen zich laten lijden door jaloezie, rivaliteit en egocentrisme zullen er afschuwelijke dingen gebeuren. Jaloezie, rivaliteit en ik-gerichtheid… was dat niet van toepassing op Rachel en Herodes?
De kindermoord van Betlehem laat de bittere noodzaak zien van de geboorte van het Kerstkind: deze wereld heeft dringend verlossing nodig. Daarom mag je dit gedeelte van het kerstverhaal niet overslaan, ook al is het nog zo gruwelijk! Na die éne prachtige nacht met het geluid van zingende engelen kwam die ene vreselijke nacht met het geluid van huilende moeders. Het laat ons de ernst en de gevolgen van de zonde zien en daarmee de noodzaak van kerst. Daar is eerlijk gezegd weinig romantisch aan. Het is goed dat de kerstversiering is opgeruimd. Want we gaan nu als kerk op weg van kerst naar Goede Vrijdag en Pasen. Pas dan is het kerstverhaal compleet. Pas dan zien we de zin van het mysterie dat God mens werd. De kindermoord van Betlehem is als het ware het spiegelbeeld van Goede Vrijdag. Beide gebeurtenissen lijken op elkaar, maar zijn op cruciale punten tegengesteld:
Nieuwe vrije mensen; mensen die in de keiharde realiteit van het dagelijks leven iets gaan uitstralen van hoop! Mensen die van Gods liefde vertellen. Mensen die Gods liefde voorleven en doorgeven. Liefde, hoop en troost, dat zijn toch de dingen waar deze wereld dringend behoefte aan heeft, omdat zoveel mensen en kinderen lijden onder onrecht, geweld, haat en ellende. Hoe velen zijn er niet ontroostbaar als Rachel. Maar er is hoop, door Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham! “Huil niet langer, droog je tranen. … Er is een hoopvolle toekomst...”
Amen
Capelle aan den IJssel, 8 januari 2006 (n.a.v. Driekoningen, 6 januari 2006)
Lied: Opwekking 618 Jezus, hoop van de volken, Jezus, trooster in elk verdriet, U bent de bron van hoop die God ons geeft.
Alle bijbelteksten in deze preek zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004
|