![]() |
|
| Deze preek lezen als PDF-bestand | Deze preek downloaden als Worddocument |
|
Hoe kan Ik je ooit prijsgeven? Hosea 11
Juli 2001 – onze eerste zomervakantie met een kind. ‘k Zal die eerste lange reis met Boaz niet snel vergeten. Hij was nog geen jaar oud, maar kon al ruim twee maanden aardig lopen. Als je even niet oplette was het roodharige mannetje watervlug vertrokken. Hoe ga je dat doen op een camping? Daarom hadden Willy en ik voorzorgsmaatregelen getroffen: we hadden een tuigje gekocht en een lang touw. Daarmee konden we onze dreumes mooi aan de ketting leggen en had Boaz ook nog wat ruimte om te lopen. Maar gelukkig niet om weg te lopen. Verder dan de lengte van het touw kon hij toch niet komen. Slim bedacht, nietwaar? Trouwens, ook voor onderweg was het een mooie oplossing. We hadden namelijk al visioenen van wat er zou kunnen gebeuren op die grote parkeerplaatsen langs de autosnelweg vol zwaar vrachtverkeer en zo. Even niet opletten en je kind ligt onder zo’n groot wiel… Nee, dan was het tuigje ook weer een handige oplossing. Meteen op de eerste stop probeerden we het uit. Boaz het tuigje om en het touw stevig vast aan de vouwwagen.
Al snel bleek het niet zo’n goed idee als we hadden gedacht. De eerste tien stappen was Boaz heel tevreden, totdat hij vanwege het strakgespannen touw niet meer verder kon. Zijn gezicht betrok en woest begon hij te trekken. Het hielp natuurlijk niet, maar zijn humeur werd er ook niet bepaald beter op. Hij werd steeds bozer en begon op een gegeven moment zelfs een aanloop te nemen om los te breken. Natuurlijk was het touw sterker en dus smakte Boaz door het plotselinge stilstaan tegen de grond. Da’s natuurlijk ook niet erg veilig… We keken het nog even aan, maar de woede werd steeds erger en daarmee de klap waarmee Boaz tegen het asfalt sloeg steeds heftiger. We hebben hem maar losgemaakt en verder gewoon heel goed in de gaten gehouden. Op de camping probeerden we het weer, nu het touw vastgemaakt met een stevige haring in de grond. Maar het effect op Boaz’ humeur was gelijk, alleen de klap tegen de grond wat zachter vanwege het campinggras. Met een flinke aanloop trok hij zelfs de haring uit de grond. De rest van de vakantie hebben we het tuigje maar opgeborgen en het is nooit meer gebruikt. Toch bedoelden we het goed! Ons kind ervoer het touw als knellende gevangenisboeien en wilde daaruit losbreken. Maar het tuigje en het touw waren niet bedoeld om gevangen te houden, maar als bescherming. Dus geen knellende boeien, maar als het ware ‘koorden van liefde’ om te beschermen en om het kind bij je te houden. Want je kind wil je toch voor geen goud kwijt?
“Koorden van liefde”, mooi gevonden nietwaar? Toch is het geen uitdrukking die ik zelf bedacht heb, maar één die uit de Bijbel komt.
Lezen Hosea 11:1-11
De eerste vier verzen lijken wel op de foto’s uit het kinderfotoalbum van Israël. We zien op de kiekjes een vader die zijn kind leert lopen, die het draagt als het moe is geworden. We zien hoe vader op zijn knieën zit met open armen en zijn kind naar hem toe roept. En als het dan op de knietjes valt, dan zien we vader liefdevol een pleister op de wond plakken. Op weer een andere foto zien we vader zittend bij het bedje van zijn zieke kind met een verkoelende washand en een pilletje tegen de pijn. Vers vier is ook anders te vertalen, waardoor het beeld van de vader en zijn kleine kind wordt voortgezet. O.a. de Naardense Bijbel doet dat: “Aan menselijke snoeren trok ik hen voort, aan koorden van liefde; ik was voor hen als wie een zuigeling optillen tegen hun wang, ik boog mij over hem heen, ik gaf hem te eten.”
Toch is het niet één en al geluk wat uit deze verzen spreekt. Het kind liep steeds weg en wilde liever een andere papa. Daarmee vergat het wie zijn eigen vader was, zijn roepen zorgde er alleen maar voor dat het kind ongehoorzaam nog verder weg liep. De koorden van liefde – het tuigje waarmee de vader zijn kind dicht bij zich wilde houden om het te beschermen tegen gevaar – het werd opgevat als een knellende ketting. Los! Weg ermee! De wijde wereld in!
Wat een grote tegenstelling zien we in deze verzen tussen de ongehoorzaamheid van het verwende kind en de toegewijde liefde van de vader. Zo was het met Gods volk ook, zegt Hosea. Israël is als het ware geboren in Egypte. Toen het uit de slavernij mocht wegtrekken de vrijheid tegemoet, werd het voor het eerst een echt zelfstandig volk. Onderweg moest het nog veel leren van de verzorgende liefde van Vader God, vooral in de woestijn was dat het geval. Maar ze vergaten daar steeds weer heel snel wie het was die hen eten en drinken gaf. En eenmaal in het beloofde land aangekomen, werd het niet veel beter. Ze vergaten de God die hen het land gegeven had en vereerden de goden van het land Kanaän. In plaats van God te dienen die hen zegen en eten gaf, offerden ze aan de Baäl.
In de verzen 5, 6 en 7 lezen we dan hoe God hier op reageert. God brengt zijn tegendraadse kind terug naar af. “Naar je kinderkamer jij, en laat ik je voorlopig niet meer zien!”, zo lijkt God te zeggen. Terug naar kinderkamer Egypte dus. Dat is toch niet letterlijk? Nee, dat niet, maar Assur zal over Israël de baas worden. En dan is Israël zijn vrijheid dus weer kwijt en krijgt het er opnieuw slavernij voor terug. En alle rijkdom, die het volk had toegeschreven aan Baäl en de ander afgoden, het zal kapot worden gemaakt. De stadsmuren zullen geen veiligheid meer bieden en de grendels van de stadspoorten zullen de vijand niet tegenhouden. Dat komt er van, als je blijft weglopen van de vader. Je kunt vers 7 op twee manieren vertalen:
Extra wrang is het, dat Israël ten tijde van Hosea bang was voor de twee wereldmachten Egypte en Assur. Egypte was een sterke macht ten zuiden en Assur was een wereldrijk in het noorden. Israël probeerde zijn positie te redden door met beide grootmachten banden aan te knopen. Koning Achaz van het Twee Stammenrijk werd bevriend met Assyrië, terwijl zijn collega koning Hosea van het Tien Stammenrijk tegelijkertijd een verbond sloot met Egypte.[1] Toch heeft het Israël dus niet geholpen, integendeel: door Assyrië verloor Israel zijn positie als zelfstandige staat en keerde het als het ware terug in de Egyptische toestand van slavernij! Dát was de straf van Vader God voor zijn opstandige kind Israël. Maar God is toch vol liefde, barmhartigheid en genade? Dus die straf zal Hij wel genadig hebben weggedaan, toch? Nou, helaas… zo lief, barmhartig en genadig was God blijkbaar toch niet. Want het hele volk Israel is in ballingschap gegaan. Met Gods boosheid kun je dus maar beter niet spotten. De straf is wel degelijk uitgevoerd. Vader stuurde het kind écht naar zijn kinderkamer terug. De spullen die het had verzameld zijn écht kapot gemaakt. Gods straf was levensecht en fysiek!
God maakte via vele profeten ook wel duidelijk dat Israël zijn straf verdiend heeft en de geschiedenis leert ons, dat het volk de straf ook gekregen heeft. Maar nergens bespeur je iets van Gods genoegen hierover. Geen ‘eigen schuld, dikke bult’, geen triomfantelijkheid, geen voldoening. Nee, we lezen iets heel anders. Vanaf vers 8 wordt de toon ineens totaal tegengesteld. Een enorme ommekeer in het verhaal. De aanklacht wordt een liefdesverklaring. De straf wordt een belofte van redding. Net zo ontroerend als de vaderliefde in de eerste vier verzen is deze liefdesverklaring in de laatste vier verzen van dit hoofdstuk. We krijgen zo een kijkje in het vaderhart van God, waar boosheid en liefde allebei hun plaats hebben.
God kan het niet over zijn hart verkrijgen om zijn volk prijs te geven en over te leveren. Hij wil Israël niet prijsgeven als Adma en laten ondergaan als Seboïm. Wie van jullie kent die plaatsen? Ooit keerde God de steden Sodom en Gomorra om, omdat daar geen rechtvaardigen meer in woonden. Hetzelfde lot trof Adma en Seboïm volgens Deuteronomium 29:23, maar wie van jullie wist dat en kende de namen van die twee steden? Ze zijn dus echt volledig van de aardbodem weggevaagd, ze zijn zelfs niet meer bekend – vergeten, uit de geschiedenis gewist! Nog érger dus dan Sodom en Gomorra, want die twee leven nog altijd in de herinnering voort. Zó wil God dus niet met zijn volk omgaan: het mag niet vergeten en weggevaagd worden uit de geschiedenis. En dan zegt God iets heel moois. Die vier steden werden vanwege Gods boosheid over de zonde omgekeerd, maar dat zal met Israël niet gebeuren. Nee, in plaats daarvan keert Gods hart zich om! Zo vertaalt de NGB’51 het: “Mijn hart keert zich om in Mij…”
Het lot van Israël gaat God echt aan het hart, zodat zijn boosheid wordt omgekeerd in barmhartigheid. Op een keer is de straf genoeg! Dan zal God het laten stoppen, zijn toorn zal Hij laten varen. Dat staat er actief, als een activiteit die God zal doen. Dat geeft aan, dat God niet volledig wordt beheerst door zijn woede. De woede ebt niet langzaamaan weg of blijft eindeloos voortwoekeren – zoals vaak bij ons – maar Hij laat het varen. Hij is dus zelf de baas over zijn emoties en wordt er dus niet door beheerst.[2]
En dan komt er niet alleen een ommekeer in het hart van God, maar ook in het lot van Israël. Ook zij zullen zich omkeren en God weer gaan volgen. De situatie van Egyptische slavernij in Assur zal aflopen en Israël mag weer wonen in zijn eigen huis. De Heer zal brullen als een leeuw: zo toont Hij zijn macht aan de volken. De koning van de dieren is hiermee een symbool van de Koning van de volken. Een leeuw brult triomfantelijk als hij prooi heeft en dan komen zijn kinderen en de vogeltjes daar van alle kanten op af: er is eten, er is leven, er is geluk! Van alle kanten komen ze terug:
Wat is de reden van deze ommekeer? Is God dan wispelturig en veranderlijk? Nee, op zich niet, want die zware straf heeft Israël tot op de dag van vandaag te verduren! Het is heus wel menens met de straf en Gods toorn. Maar Hosea mag hier aankondigen, dat er een einde zal komen aan de straf. Het zal niet gebeuren dat Israël uit de geschiedenisboeken weggevaagd zal worden als Adma en Seboim. Na de straf komt er redding en zegen. Dat is wel heel bijzonder. Want Hosea begon zijn profetieën met een levende gelijkenis. In hoofdstuk 1 kun je dat lezen. Hij moet van God met een hoer trouwen als beeld van het overspelige gedrag van Gods vrouw Israël. Een bijzonder moeilijke opdracht! Want hoe kun je trouw blijven aan een beroepsontrouwe? Als je partner keer op keer vreemd gaat, zal je liefde plaatsmaken voor woede, dan verkillen en het kan uiteindelijk zelfs omslaan in haat! De relatie is dan hopeloos verloren. Maar hier zien we dat God zijn woede blijkbaar kan overwinnen en er een eind aan kan maken. En vervolgens haalt Hij zijn vrouw weer naar zich toe. Welke reden heeft God daarvoor? Nou, eigenlijk geen één. Tenminste, als het aan het volk zou liggen is er geen enkele reden voor redding meer. Nee, de redding ligt volledig in God zelf!
Dat lezen we in vers 9b, waar God zijn plotselinge omkeer verklaart: “Want God ben ik, en geen mens, ik ben in jullie midden, ik ben heilig, ik zal niet meer in woede ontsteken.” Daar zit ‘m de clou: God is God en geen mens, Hij is heilig. God laat zich hier kennen als de Totaal Andere. Hij is van een Andere Orde, dat betekent het woord ‘heilig’ ten diepste.
Hij heeft zijn woede onder controle, Hij blijft trouw aan zijn geliefde, Hij kan zijn liefde voor zijn volk niet opgeven. Hij staat daarmee ver boven onze menselijke gevoelens en onze verwachtingen. Onze logica kan daar niet goed bij. Bij Gods heiligheid denken we snel aan zijn toorn, maar Hij is blijkbaar ook heilig in zijn liefde.
Daarmee is Hij totaal anders dan de mens. Als we iets beseffen van Gods heiligheid, maakt dat ons klein. Dan zie je iets van Gods teleurstelling over de menselijke ontrouw. Je herkent het in de oordeelsprofetieën. Daar stap je dan hopelijk niet meer zo lichtzinnig over heen. Want onze ontrouw als mensen treft Hem in zijn liefde, in zijn zorgzame vaderhart! Dan begrijp je ook iets meer van de straffen die God aankondigde en uiteindelijk ook gegeven heeft. Maar dan ontdek je hier in Hosea ook wat de motor achter al dat handelen van God is: onbegrijpelijke liefde en trouw. Eenzijdige liefde en trouw – om de mens weer terug te winnen voor zichzelf.
Slikt God zijn woede dan uiteindelijk maar in? Bedekt zijn mantel der liefde dan maar alle zonden? Neemt Hij onze ontrouw en onheiligheid dus maar voor lief, omwille van zijn grote liefde voor ons? Nee, niet helemaal. Maar opnieuw liggen de redenen voor Gods liefde en vergeving niet in de mensen. God vindt zijn motivatie enkel en alleen in zijn eigen karakter waarin liefde, trouw én rechtvaardigheid samensmelten. En vanwege die rechtvaardigheid kan God zonde nooit door de vingers zien.
Daarom is zijn toorn er één keer wel volledig en voor altijd uit gekomen. Dat gebeurde op Golgota, toen Jezus aan het kruis hing en uitschreeuwde: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” Toen was het drie uur volslagen duister geweest rondom de Man, die het Licht van de wereld was. Daar hing Hij tussen hemel en aarde, de Mensenzoon – Zoon van God.
Geboren als kind bedreigde de wereldse macht Hem al, zodat Hij moest vluchten naar Egypte. Daar werd Hij weer vandaan geroepen nadat koning Herodes was overleden. “Uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen”, die tekst uit Hosea past Matteüs in dat verband toe op Jezus.[4] Ook dit kind Jezus leerde lopen, maar Hij wandelde met God. Hij liep níet steeds weer weg, Hij was gehoorzaam – ja zelfs gehoorzaam tot de dood.
Toen Hij zijn bediening begon, bevestigde God zijn liefde voor Hem. Na Jezus’ doop klonk Gods stem uit de hemel: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.”[5] Direct daarna ging Hij ook de woestijn in, maar Hij bleef God trouw, ook toen Hij honger had en werd belaagd door de vijand. Hoe anders dan het volk Israël in de woestijn… Hij boog zich niet neer voor een andere god (Satan), maar bleef zijn Vader trouw.[6] Hoe anders dan het ontrouwe, afgodsbeelden vererende volk Israël… Later ontmoette Hij de profeten Mozes en Elia op een berg, die Israël altijd hadden opgeroepen om te luisteren naar Gods geboden. Opnieuw verklaarde de Vader – nu vanuit een wolk van licht – over zijn zoon: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar Hem!”[7]
Maar daar hing Hij dan, aan het kruis op Golgota. Geen wolk van licht, maar adembenemende duisternis. Geen stem die de liefde verklaart, maar angstaanjagende stilte vanuit een gesloten hemel. God had zijn Geliefde prijsgegeven, uitgeleverd! Omdat Hij zijn kind Israël niet kon prijsgeven en uitleveren, gaf Hij dus zijn Kind Jezus en daarin zichzelf! Want Jezus was ook de Totaal Andere, nietwaar? Bij de aankondiging van zijn geboorte zei de engel het al tegen Maria: “De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.” [8] Jezus is heilig, Totaal Anders. In Jezus komt alles van God samen: zijn woede over onze ontrouw, maar ook zijn heilige liefde en trouw.
Wat God niet met Israël kon doen, deed Hij uiteindelijk met zichzelf. Hij gaf zijn Kind prijs aan het oordeel; het Kind dat Hij zelf uit Egypte had weggeroepen en dat Hij had leren wandelen naar zijn wil. Hij gaf het prijs, totdat de straf er helemaal opzat. Toen riep Jezus: “Het is volbracht!” en Hij stierf. Alle woede van God was eruit! Nu pas was het klaar, maar dan ook voor altijd en voor iedereen! Niet alleen voor Israël, maar ook voor ons en zelfs voor de hele wereld. Johannes schrijft het in zijn eerste brief: “Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.” [9]
In Jezus komen Gods woede en liefde – die Hem menselijk gesproken als het ware in een emotionele spagaat brachten – bij elkaar en tot elkaar.
God is de heilige, de Totaal Andere. Zijn boosheid en straf hebben een einde, omdat Hij God is en geen mens. Hij was trouw aan zijn Geliefde Kind: Jezus stond namelijk weer op uit die doodstraf. Ook wij hebben die belofte gekregen: wie in Jezus gelooft, heeft eeuwig leven, ook al is hij gestorven.[10] En Israël kan de belofte van herstel ook heel vaak herhaald in de profeten lezen: er komt een einde aan Gods woede, Hij is trouw aan zijn geliefde volk. En die trouwe God van Israël is ook onze God!
Een beetje overweldig door dit hoopvolle en liefdevolle Bijbelgedeelte schreef ik er een parafrase over. Zie het maar als een persoonlijke en uitnodigende brief van God aan jou:
8 O lief kind, Ik kan je toch niet aan je lot overlaten? Ik kan je toch niet laten gaan?
Zou Ik jou ooit kunnen vergeten? mijn warme liefde voor jou kan ik niet tegenhouden. 9 Ik zal niet boos blijven en niet laten gebeuren dat jou iets ergs overkomt, ook al verdien je dat wél. Want Ik ben God – totaal anders dan de mens. Ondanks Mijn aparte status wil ik heel dicht bij je zijn, me aan jou verbinden. Ja, Ik laat mijn woede varen. 10 Als Ik roep, mag je bij me komen. Waar je ook was, zoek me op – misschien onzeker of bang – maar kom! 11 Want ik wil je vrijheid geven!
Zo zagen we vandaag iets van wat er leeft in Gods vaderhart. Hoe onbegrijpelijk groot is zijn trouw en liefde voor ons, ondanks onze ontrouw en liefdeloosheid! Het maakt ons klein en tegelijk wil je ervan zingen. David – zijn naam betekent ‘de geliefde’ – had die trouw en genade van God ook vaak ervaren, ondanks zijn vele misstappen. Hij schreef er een prachtig lied over:
2 Prijs de HEER, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden. 3 Hij vergeeft u alle schuld, hij geneest al uw kwalen, 4 hij redt uw leven van het graf, hij kroont u met trouw en liefde, 5 hij overlaadt u met schoonheid en geluk, uw jeugd vernieuwt zich als een adelaar. 6 De HEER doet wat rechtvaardig is, hij verschaft recht aan de verdrukten. 7 Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend, aan het volk van Israël zijn grootse daden. 8 Liefdevol en genadig is de HEER, hij blijft geduldig en groot is zijn trouw. 9 Niet eindeloos blijft hij twisten, niet eeuwig duurt zijn toorn. 10 Hij straft ons niet naar onze zonden, hij vergeldt ons niet naar onze schuld. 11 Zoals de hoge hemel de aarde overspant, zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen. 12 Zo ver als het oosten is van het westen, zo ver heeft hij onze zonden van ons verwijderd. 13 Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen, zo liefdevol is de HEER voor wie hem vrezen.
(Psalm 103)
Amen
Capelle aan den IJssel, 13 mei 2007
Zingen: Opwekking 123 Groot is uw trouw Opwekking 542 God van trouw, U verandert nooit
|