Deze preek lezen als PDF-bestand..


Prekenserie over de profetie van Joël

preek 5   ::   Joël 4

De HEER spreekt recht

Het zijn momenteel spannende tijden in de Arabische wereld. Als een brand die om zich heen grijpt, komen volken in opstand tegen onderdrukkende regimes: eerst in Tunesië, maar vervolgens ook in Algerije, Jemen, Mauretanië, Jordanië en uiteraard de massale protesten in Egypte. De hele wereld kijkt toe hoe de Arabische regio instabiel lijkt te worden en hoe regeringen wankelen of vallen.
Wie de Bijbel kent, beseft dat het nóg spannender gaat worden! In Openbaringen lezen we er over en ook in Joël zullen we ontdekken dat de Arabische wereld inderdaad het middelpunt van de strijd zal worden. Maar deze strijd gaat verder dan die van onderdrukte inwoners tegen hun presidenten. Het is een strijd van Israëls God zelf en Hij neemt het op tegen alle volken.

Lezen Joël 4

In dezelfde tijd…
Naadloos sluit dit stukje aan bij het voorgaande gedeelte, waarin God het volk Israël belooft dat Hij een keer zal brengen in het lot van zijn volk. Niet alleen materieel zal er zegen komen
(Joël 2: 18-27), maar ook geestelijk zal er een geweldige opwekking komen (Joël 3:1-5), doordat God zijn Geest zal uitstorten over jong en oud, man en vrouw, belangrijk en niet in tel.
Toch hebben we ongemerkt wel een draai van 180 graden gemaakt sinds Joël 1:1: in het begin van de profetie was de situatie uitermate beangstigend voor Israël: een sprinkhanenplaag, een extreme droogte, alarmerend bazuingeschal… De Dag van de Heer zou onheil brengen voor Israël, omdat ze God vergeten waren als de bron van alle zegen.
(zie 1:9 en 13, vergelijk met 4:18)
Het kantelpunt in de profetie is Joël 2:12-13, waar oprecht berouw ervoor zorgen kan dat God zijn vonnis herroept. In plaats van dreigend onheil belooft God overvloed van koren, wijn en olie. Israël zal geen voorwerp van spot meer zijn, want God zelf verbindt zijn naam aan zijn volk en het land.

Op dat moment zal God alle volken bijeenbrengen en ter verantwoording roepen. Alsof God zijn woede dan maar ergens anders op moet afreageren. Waarom doet Hij dat?
In deze preek hoop ik duidelijk te maken dat Gods woede ten diepste gericht is tegen de rebellie van iedereen die zijn macht niet wil erkennen. En die opstandige houding werd en wordt steeds opnieuw zichtbaar in hoe je ten opzichte van zijn volk Israël staat.

De straf op ongeloof en ongehoorzaamheid
In Joëls tijd was een klein deel van het oude verbondsvolk weer teruggekeerd uit de ballingschap in Babel. Maar de rest van Israël was (en is) nog steeds verstrooid onder de volken. In eerste instantie is dat het gevolg van Israëls eigen ongeloof en ongehoorzaamheid. Mozes had het volk na veertig jaar eindelijk bij de grenzen van het beloofde land Kanaän gebracht en hij hield het hun ernstig voor: blijf in het nieuwe land gehoorzaam aan God, alleen dan zal je zijn zegen ontvangen. Maar ongehoorzaamheid, ongeloof en afgoderij zou vervloeking opleveren: ziekte, hongersnood, sprinkhanenplagen, vijanden, deportatie, ballingschap. Het volk kon dus zijn vrijheid, zegeningen en land verliezen door de Gever van al die zegen te vergeten.
(Deuteronomium 28) En helaas is het allemaal gebeurd zoals Mozes voorspelde. Door eigen schuld kwam Israël in de problemen, waarover we onder andere bij Joël hebben gelezen: vijandige volken, hongersnood, een sprinkhanenplaag…

Deels liet God de straf uitvoeren door andere volken, deels waren het natuurrampen – bedoeld als waarschuwing om Hem niet te vergeten, bedoeld om zijn volk weer naar zich toe te halen. Daarom liet Hij toe, dat ander volken Israël onder de voet liepen, deporteerden en als slaven behandelden. Zo zijn ook de volken van de aarde instrumenten in Gods hand. Maar daarbij kregen ze wel een grote verantwoordelijkheid! Hoe gingen de volken om met die verantwoordelijkheid en met Israëls kwetsbaarheid? Ze sloegen door! Net zoals andere kinderen een gestraft kind soms kunnen uitlachen of heimelijk een trap na geven om alle ellende nog eens lekker stevig aan te dikken.
Maar dát gaat in tegen Gods rechtvaardigheid. Hij roept de volken ter verantwoording in de vallei van Josafat. Josafat betekent “de Heer spreekt recht” of “de Heer is Rechter”. Hij komt op voor recht en eerlijkheid. HIJ was het die Israël strafte. HIJ was het die de volken daarvoor gebruikte. Maar Hij is het ook die de volken nu de wacht aanzegt om hun gedrag tegen Israël.
(zie o.a. Jesaja 10:12-13 en 47:6-7)

God is één met verbondsvolk
Bij wat de volken Israël aandoen, gaan ze de grens van wat rechtvaardig is over en dat gaat het lijnrecht in tegen de rechtvaardige God. Door Israël zo extreem te mishandelen doen ze in feite een aanslag op God zelf. Kijk maar eens hoe Hij zich volledig vereenzelvigt met Israël: het is MIJN volk Israël, MIJN eigendom, MIJN land.
(Vers 2 en 3, zie ook Leviticus 25:23) Wilden jullie je op MIJ wreken? Iets tegen MIJ ondernemen? (vers 4) Het gaat om MIJN goud en zilver, MIJN kostbaarheden… (vers 5)
Alles wat de volken het volk van Israël hebben aangedaan, hebben ze de HEER zelf aangedaan. Dat is nogal wat. Wie solt met Israël door het te beroven, te verhandelen, te verkwanselen, te verraden en te deporteren, die komt uiteindelijk Israëls God tegen. We zagen al eerder dat JHWH zich persoonlijk met zijn eer en heerlijkheid aan volk én land verbonden had.
(zie de preek over Joël 2:15-27) Wie spot met Israël en het natrapt, trapt dus tegen Gods heiligheid. Daarom zullen de volken de Heer ontmoeten als Rechter en zal Hij een oordeel over hen vellen.

Een rechter beschermt de weerloze, maar straft de geweldpleger
Op die oordeelsdag doet God twee dingen:
• in de eerste plaats zal Hij Israël beschermen en herstellen. Hij haalt hen terug van de plaatsen waarheen ze verkocht en verstrooid zijn – bemoedigend: Hij wéét dus precies waar ze zijn! Hij zal het land weer zegenen en het volk zijn Geest geven. Zo ontstaat er zelfs een geestelijke eenheid tussen God en Israël.
• In de tweede plaats zal Hij de volken straffen voor hun onrecht. Bij het bepalen van de strafmaat houdt God zich aan zijn eigen regels in de wet van Mozes over onderlinge onrechtvaardigheid:
Wanneer een valse getuige iemand van een misdrijf beschuldigt, moeten de twee partijen voor de HEER verschijnen, bij de priesters en de rechters die op dat ogenblik het ambt bekleden. Blijkt na een zorgvuldig onderzoek door de rechters dat de getuige inderdaad onbetrouwbaar is en een valse aanklacht tegen zijn broeder heeft ingediend, dan moet u hem aandoen wat hij zijn broeder dacht aan te doen. Zo zult u het kwaad uit uw midden verwijderen. Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en nooit meer een dergelijk kwaad bedrijven. U moet met niemand medelijden hebben: het is een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.
(Deuteronomium 19:16-21 WV95)
In deze manier van rechtspreken zien we drie belangrijke principes die God toepast bij straf:
1. de straf komt overeen met de zonde en is daarom eerlijk en in proportie – dat kon je van het gedrag van de volken bepaald niet zeggen…;
2. de straf is bedoeld als betaalmiddel, namelijk om ‘het kwaad uit uw midden te verwijderen’, met ‘het kwaad’ wordt de schuld bedoeld die door de zonde is ontstaan;
3. straf heeft een leerdoel, namelijk dat anderen niet hetzelfde zullen gaan doen.

Oog om oog, tand om tand. Jullie verkochten het volk Israël, Ik zal jullie verkopen. Een koekje van eigen deeg… En toch 'jeukt' het hier ergens: hoe valt dit strenge en wrekende van God te rijmen met zijn genade? Het klinkt allemaal heel rechtvaardig en eerlijk, maar tegelijk ook heel rechtlijnig en genadeloos. God is toch ook liefde? Juist in Jezus zien we toch, dat God vergeeft en niet meer straft? Ja, maar juist ook in Jezus zien we dat God het oordeel uitoefent over wie Hem niet wil gehoorzamen. Alleen, dat past niet zo goed bij het beeld dat we van Jezus koesteren. Hij is voor de meeste mensen het lieve kerstkindje in de kribbe of de aardige rabbi die wijze woorden sprak en aandacht had voor iedereen. Hij had zelfs aandacht voor vrouwen, kinderen, Samariatanen, melaatsen en tollenaars; voor alle mensen die niet meetelden. En christenen houden dat beeld van een lieve, aardige knuffeljezus maar al te graag in stand. Want dat is toch een plezierige boodschap?
Alleen wel jammer dat mensen het best met je eens willen zijn dat Jezus lief en goed was, maar ze gaan niet in Hem geloven! Ach, waarom zouden ze ook in Hem gaan geloven…? Er zijn immers zovéél lieve en goede mensen, daar geloof je toch ook niet in? Je ziet ze hooguit als voorbeeld en inspiratiebron.

Goed nieuws kan ook ernstig zijn
Wie het beeld van Jezus vertekent door alleen zijn liefde en goedheid te laten zien, vergeet dat God zijn Zoon ook het oordeel in handen zal geven. Met een knuffeljezus neem je Hem niet volledig serieus. Zijn boodschap was meer dan “Het Koninkrijk van God is nabij.” Hij zei erbij: “Kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws!”
(Marcus 1:15) Tijdens zijn werk op aarde heeft Hij inderdaad niemand veroordeeld, maar hij hamerde wel steeds weer op die bekering. Hij genas en vergaf, maar zei er telkens bij: “Zondig vanaf nu niet meer!” (Johannes 5:14, 8:11) Zijn woorden en de ernstige ondertoon daarvan kun je dus niet zomaar wegwuiven, daar zit namelijk een flink prijskaartje aan. Niet direct voor nu, maar in de toekomst:
Maar als iemand mijn woorden hoort zonder ze ter harte te nemen, dan ben Ik het niet die hem veroordeel, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen maar om haar te redden. Voor wie Mij afwijst en mijn woorden niet aanvaardt, is er al een rechter: het woord dat Ik verkondigd heb, dat zal hem op de laatste dag veroordelen.
(Johannes 12:47-48 WV95)
Het oordeel komt, op die laatste dag waarover ook Joël spreekt als de Dag van de Heer. Dan is Hij niet alleen het Lam, maar ook de Leeuw, die brult vanaf de Sion en gromt uit Jeruzalem.
(Joël 4:16)

Als Jezus terugkomt is Hij geen onschuldig baby’tje meer of een zachtaardige rabbi, maar een machtige overwinnaar, een rechter die oordeelt. Zo tekent Openbaring 19:11-19 Hem:
Ik zag dat de hemel geopend was, en dit zag ik: een wit paard met een ruiter, die ‘Trouw en betrouwbaar’ heet, die een rechtvaardig vonnis velt en een rechtvaardige strijd voert. Zijn ogen waren als een vlammend vuur en op zijn hoofd had hij veel kronen. Er stond een naam op hem geschreven die niemand kende, alleen hijzelf. Hij droeg met bloed doordrenkte kleren. Zijn naam luidde ‘Woord van God’. De hemelse legermacht, gekleed in zuiver, wit linnen, volgde hem op witte paarden. Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee hij de volken zal slaan, en hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden. Hij zal de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God treden. Op zijn kleding en op zijn dij staat de naam ‘Hoogste Heer en koning’.
Toen zag ik een engel midden in de zon staan. Luid riep hij tegen de vogels die hoog in de lucht vlogen: ‘Kom naar Gods grote maaltijd. Dan krijg je het vlees te eten van koningen, legeraanvoerders en machthebbers, het vlees van paarden en hun ruiters, van slaven en van vrije mensen, het vlees van jong en oud.’ Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht.

Dát is dus de andere kant van Jezus, die je eigenlijk niet verzwijgen of vergeten mag. Op de Dag van de Heer – als Hij alleen hoog verheven is – is Hij angstaanjagend voor wie Hem niet aanvaarden wil.

Wat je voor Israël doet, doe je voor Jezus
Ik zei al eerder, dat God zich volledig vereenzelvigt met Israël. Het was zijn land, zijn volk, zijn goud en zilver. En Hij is hun Koning. Kom je aan Israël, dan kom je aan God. En als de tijd vol is, dan komt God terug om het recht te laten gelden. Dan daagt Hij de volken voor zijn rechterstoel:
Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; de schapen zal hij rechts van zich plaatsen, de bokken links.
Dan zal de koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.
Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”
Jezus zegent en beloont de rechtvaardigen dus op basis van hun houding ten opzichte van Gods volk! En daarmee ten opzichte van Hemzelf. Alweer die vereenzelviging… We zien het als een refrein terugkeren bij de tweede groep:
Daarop zal hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen. Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, ik had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd?” En hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.” Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het eeuwige leven.’
(Matteüs 25:31-46)

Zwart - Wit
Dat geeft wel even een ander beeld dan een schattig baby’tje in de voerbak… Willen we eigenlijk wel zo’n Jezus? Wie niet verder komt dan Jezus als kerstkind of als wijsheidsleraar of als inspirerend voorbeeld zal hier waarschijnlijk afhaken. Het genoeglijke en gezellige van de knuffeljezus spreekt meer aan dan dit zwart-witte, vind je ook niet?

Maar aan de andere kant: als het gaat om leven en dood, goed en kwaad, dan is het in feite toch ook heel zwart-wit? Iets wat slecht is, kun je toch niet goed noemen? Iemand die schuldig is, kun je toch niet vrijspreken? Rechters die dat doen, zijn onbetrouwbaar. De namen van Jezus als Overwinnaar van de eindtijd wijzen ons op zijn eerlijkheid en betrouwbaarheid. God is voor de volle honderd procent betrouwbaar, rechtvaardig en eerlijk. Zonde is bij Hem zonde en schuld is schuld. Slecht is bij Hem slecht en goed is ook echt goed. Daarom kan Hij het kwaad en de zonde ook niet door de vingers zien. Het druist in tegen alles waar Hij voor staat! Op zonde móét straf volgen, omdat zijn heiligheid en volmaaktheid geen zonde kan verdragen. En die straf was verwijdering, weg van Hem, weg van het goede.

God reikt ons de hand
Maar de verhalen over Jezus noemen we ‘Evangelie’, dat is ‘goed nieuws’. Want in dat kerstkind en in die wijsheidsleraar en in dat inspirerende voorbeeld reikt God ons de hand! Hij kan de zonde niet verdragen, maar Hij kan en wil ook de scheiding tussen Hem en de mensen niet verdragen. Hij vereenzelvigde zich daarom zo met de mensen, dat Hij zelf mens werd. Door het oordeel van ons over te nemen, wil Hij vergeving aanbieden. Dat is liefde en genade van God. Voor wie dat aanneemt is er redding. Maar wat als je het niet aanneemt…?

Stel je voor dat je een enorme belastingschuld hebt, doordat je eerst de belastingdienst voor miljoenen opgelicht hebt. Eigen schuld dus, maar je kunt de schuld en de boete van je leven niet meer terug betalen. Op een dag belt de koningin bij je aan de deur aan. Ze heeft gehoord van je enorme financiële problemen en heeft een blauwe envelop van de belastingdienst in haar hand. In de beschikking staat, dat de schuld en de boete kwijtgescholden zijn en dat je de rest van je leven in Soestdijk mag wonen – daar is tenslotte plaats genoeg.
Verbaasd hoor je de koningin aan, maar dan begin je hard te lachen. “Ha, goeie grap, maar dat heb ik echt niet nodig hoor. Ik red me zelf wel.” En je gooit de deur voor haar neus dicht. De koningin belt steeds opnieuw aan om uit te leggen dat het geen grap is, maar je wilt niet meer luisteren. Keer op keer knal je de deur weer dicht.
Uiteindelijk pak je dan de envelop en scheurt die doormidden, terwijl je roept: “En nou oprotten met die onzin! Ik wil er niets meer over horen!” Wat een belediging! Een klap in het gezicht van de koningin! Hoe durf je eigenlijk… Iedereen die het hoort zal verontwaardigd reageren: ‘Zo iemand is een boef, onbeschoft en ongemanierd. Pak ‘m maar op en zet ‘m maar voor jaren achter de tralies.’

Jezus ondergaat dergelijke beledigingen elke dag. Hij reikt mensen steeds opnieuw de hand, maar ze slaan Hem op de wang en spugen in zijn gezicht. Zo laten ze de Hoogste Heer en Koning staan… En dan – zo laten de profeten en Openbaring ons zien – dan haal je uiteindelijk de woede van God over je. Dat zal gebeuren in de tijd, dat God alle mensen ter verantwoording roept. Dan zullen je daden ten opzichte van Hem en van zijn volk Israël op je eigen hoofd neerkomen, zoals Joël zegt in 4 vers 4b en 7b. Dan is Jezus niet meer het lieve Lammetje, dat geslacht werd zonder zijn mond open te doen – dan is Hij de Rechter, de Hoogste Koning, Trouw en Betrouwbaar, 100% eerlijk en rechtvaardig, machtig en indrukwekkend, maar vooral ook beangstigend voor wie zich niet wil onderwerpen.

Daarom kun je nú kiezen: ben je vóór Hem of ben je tégen Hem? Pak je zijn hand aan of sla je die af? Hoe sta je tegenover God en zijn volk Israël? Scheld je mee met de massa of roep je om gerechtigheid? Neem je de afbetaling van je schuld aan of wil je liever zelf betalen? Je mag nog steeds Gods uitgestoken hand aanpakken. Je kunt nog steeds vrijwillig voor Jezus neerknielen en zijn koningschap over Israël en over jouw leven erkennen – als antwoord op zijn grote liefde.

Kus de Zoon
De messiaanse psalm 2 kijkt vast vooruit naar wat Joël ook ziet gebeuren, daar in het dal van Josafat. Dan roept de dichter alle volken op om Gods koningschap te erkennen, want Hij is de allermachtigste. Op de Dag van de Heer komt de laatste kans om je te onderwerpen:
Daarom, koningen, wees verstandig, wees gewaarschuwd, leiders van de aarde. Onderwerp u, toon de HEER uw ontzag, breng hem bevend uw hulde. Bewijs eer aan zijn zoon met een kus, anders ontvlamt zijn woede, en uw weg loopt dood, want bij het geringste ontsteekt hij in toorn. Gelukkig wie schuilen bij hem.
(Psalm 2:10-12)

‘Kus de zoon' – daarmee wordt niet een kus van liefde op de wang bedoeld, maar een kus van onderwerping op de voeten. Maar wie nu vrijwillig de uitgestoken hand van God aanpakt, mag als het ware wél een kus op de wang van Jezus drukken. Een uitdrukking van liefde, in antwoord op Gods liefde voor ons. Dan hoef je niet meer bang te zijn als het dreigend wordt, want dan mag je bij Hem schuilen, net als Gods verbondsvolk.
• De verbondsband beschermt Israël, want God is trouw:
Voor zijn volk is de HEER een toevlucht, Israël biedt Hij bescherming.
(Joël 4:16)
• De liefdesband met Jezus beschermt de gelovigen, want God is liefde:
Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus.
(1 Johannes 4:15-17)

Zelfs wanneer de angstaanjagende woorden van Joël en uit Openbaring werkelijkheid worden, kun je dat nog evangelie noemen. Want ze tonen ons dat God Trouw en Betrouwbaar is, volkomen eerlijk en rechtvaardig. Maar ook dat er in die donkere dagen redding en veiligheid is voor wie Hem erkent als Hoogste Heer en Koning.
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen: op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die Hij roept zal worden gered.
(Joël 3:5)

Amen

Soest, 6 februari 2011