|
Alles in Christus – In alles als Christus
Prekenserie over de brief van Paulus aan de Kolossenzen
preek 8
:: Kolossenzen 4:2-18
De groeten!
Blijf bidden en blijf
daarbij waakzaam en dankbaar. En bid dan ook voor ons, dat God deuren voor
ons opent om het mysterie van Christus te verkondigen waarvoor ik
gevangenzit, en bid dat ik het mag onthullen zoals het moet. Gedraag u wijs
tegenover buitenstaanders en benut iedere gelegenheid, en als u wilt weten
hoe u op de mensen moet reageren: vriendelijk, maar beslist.
Tychikus, onze geliefde broeder, onze trouwe helper en mededienaar van de
Heer, zal u alles over mij vertellen. Hem stuur ik naar u toe om u over onze
omstandigheden in te lichten en om u moed in te spreken, samen met Onesimus,
onze trouwe en geliefde broeder die een van u is; zij beiden zullen u
vertellen hoe het hier gaat. Aristarchus, mijn medegevangene, Barnabas’ neef
Marcus (over wie u al instructies hebt gekregen: ontvang hem gastvrij
wanneer hij bij u komt) en Jezus Justus groeten u; zij zijn de enige Joden
die met mij meewerken voor Gods koninkrijk, en ze zijn dan ook een grote
troost voor me geweest. Epafras, een dienaar van Christus Jezus en een van
u, groet u; in al zijn gebeden strijdt hij voor u en bidt hij dat u als
volmaakte mensen en met volle overtuiging zult vasthouden aan alles wat God
wil. Ik kan van hem getuigen dat hij zich erg voor u inspant en ook voor de
mensen in Laodicea en Hiërapolis. Ook Lucas, onze geliefde arts, en Demas
groeten u. Wilt u de broeders en zusters in Laodicea groeten, en ook Nymfa
en de gemeente die bij haar thuis samenkomt? Wanneer deze brief bij u is
voorgelezen, moet u ervoor zorgen dat hij ook in de gemeente van Laodicea
wordt voorgelezen, en dat u de brief aan hen te lezen krijgt. En zeg tegen
Archippus: ‘Let erop dat u de taak die u van de Heer hebt ontvangen, ook
vervult.’
Een eigenhandig geschreven groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien!
Genade zij met u.
Dit is nou echt een gedeelte om over te slaan… Saai hè, al die namen en
groeten? Wat moeten wij daar nou mee. Kort samengevat staat er alleen maar
‘de groeten!’ Alleen heeft Paulus (als echte kampioen lange zinnen in de
Bijbel) daar weer veel ruimte voor nodig. Wij sluiten een e-mail, kaart of
brief ook altijd af met een groet, maar dan meestal een heel stuk korter!
Eigenlijk zijn het haast woorden zonder betekenis, je weet nu gewoon dat de
brief afgelopen is: de groeten allemaal!
En toch… soms krijgt het ineens betekenis. Vorige week ontdekte ik dat. Was
jij er vorige week ook bij, hier in de samenkomst? Er gebeurde bij mij iets
bijzonders toen Wim en Ria vooraan stonden. Ik ken hen niet persoonlijk en
toch voelde ik warmte door me heen stromen. Dat kwam door hun woorden: onze
gemeente in Soest kreeg de groeten van de gemeente te Jeruzalem. Het leek
wel alsof de woorden van de brieven in het Nieuwe Testament erin
doorklonken! Er stond een apostel – een uitgezondene – vooraan en we kregen
de groeten van de gemeente uit Jeruzalem… Uit de stad waar alles is
begonnen, waar de kerk zo’n 2000 jaar geleden geboren werd.
Ik vond het hartverwarmend en bemoedigend: het werk van God dat Hij eens
begon gaat door, tot aan de einden van de aarde. Maar Hij is zijn eigen stad
niet vergeten, er is in Jeruzalem nog steeds een gemeente die Jezus belijdt
als de Messias. Wat doet dat met ons? Ook al kennen we de mensen daar niet,
toch ervaren we zo een eenheid die verder gaat dan deze samenkomstzaal.
Zo ontdekte ik vorige week dus wat de waarde van een welgemeende groet kan
zijn. Het is een uitdrukking van eenheid: wij horen bij elkaar. Dat is
bemoedigend, zeker in een tijd waarin de eenheid tussen mensen soms ver te
zoeken is. Waarin de kerk versnipperd raakt en naar de achtergrond wordt
gedrukt. Waarin de kakofonie van religieuze geluiden alleen maar verwarrend
werkt: want wat is nog waarheid, is er überhaupt nog waarheid?
Vandaag lazen we het laatste gedeelte van de brief die Paulus aan de
Kolossenzen schreef. Met deze brief wilde Paulus hen de juiste keuzes leren
maken in de religieuze supermarkt. Hij wilde hen bemoedigen en aansporen om
toch vooral Christus centraal te stellen in het geloof: want wij
leven niet volgens een systeem van regels, maar wij volgen een Persoon
waarmee je een relatie aangaat. Die relatie is van invloed op de manier
waarop we met gemeenteleden en mensen daarbuiten omgaan.
Dat Paulus een brief schreef aan deze gemeente was wel bijzonder. Hij kende
de mensen er namelijk niet persoonlijk en hij was er ook nog nooit geweest.
Maar hij had van Epafras gehoord welke vragen er bij de christenen van
Kolosse leefden. Vragen die ons vandaag nog raken: wat moeten we
geloven, hoe moeten we geloven, wat is waarheid, wat is wijsheid, hoe
moeten we met onderlinge verschillen in de gemeente omgaan?
Dat Paulus deze vragen zo serieus beantwoordt, laat al zien dat de gemeente
hem aan het hart gaat. Hij voelt zich met hen verbonden – al is het op
afstand. Daarom doet hij zo uitvoerig de groeten. Er is een band tussen
christenen, die verder gaat dan elkaar kennen.
Hoe zou dit laatste gedeelte op de gemeente van Kolosse zijn overgekomen?
Nou, denk je eens in: een gemeente in verwarring over de waarheid krijgt een
duidelijke brief en ontvangt aan het eind de groeten van een belangrijke
apostel en van zijn medewerkers, waarvan je er een paar persoonlijk kent.
Zelf moeten ze weer de groeten overbrengen aan de kerken van Laodicea en
Hiërapolis, die in de buurt lagen.
Ik denk dan dat het vooral bemoedigend zal zijn geweest om dit te
lezen, juist met al die groeten en namen aan het eind. We staan er dus niet
alleen voor! Overal zijn christenen, mensen die Christus centraal stellen
als de Waarheid, als de bron van wijsheid en kennis. Om dat geloof vast te
houden in een verwarrende tijd moet je strijd leveren, maar wat is het goed
om te weten dat je samen mag strijden. Die wetenschap bindt samen, geeft
moed en hoop.
Dat is ook de kern van wat Paulus schrijft in de eerste vijf verzen van
hoofdstuk 2: “Ik wil dat u weet hoe zwaar de strijd
is die ik voor u en de gelovigen in Laodicea voer, en voor alle anderen die
mij nog nooit in levenden lijve hebben gezien. Zo wil ik hen bemoedigen en
hen in liefde bijeenhouden, opdat ze tot de volle rijkdom van allesomvattend
inzicht komen, tot de kennis van Gods mysterie: Christus in wie alle
schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen. Dit alles schrijf ik opdat
niemand u met fraaie redeneringen op een dwaalspoor brengt. Want hoewel ik
lijfelijk niet aanwezig ben, ben ik in de geest wel bij u, en ik zie met
vreugde hoe hecht u met elkaar verbonden bent en hoe onwrikbaar uw geloof in
Christus is.”
Christus is de waarheid en Hem volgen houdt je in het juiste spoor en laat
je delen in alle schatten van rijkdom en kennis die in Christus verborgen
liggen. Dat is het geluid waarvoor Paulus zich sterk maakt. Maar… dat is
tegelijk ook de boodschap waardoor hij in de gevangenis terecht is gekomen.
En nu doet hij een beroep op die hechte verbondenheid: bid voor mij, vraagt
hij.
Opvallend dat Paulus niet vraagt om te bidden voor open gevangenisdeuren!
Hij wil gebed, dat de deuren van harten opengaan, zodat de boodschap van God
verkondigd en uitgelegd kan worden. Paulus laat daarmee zien, dat hij de
juiste prioriteit heeft in zijn leven: Gods werk gaat vóór zijn eigen
comfort. Hij vraagt gebed, dat zijn gevangenschap geen belemmering is om
vrijmoedig en duidelijk het evangelie te verkondigen.
“Blijf bidden en blijf daarbij ook waakzaam en
dankbaar.” Waakzaamheid, volharding en dankbaarheid vormen dus de
grondhouding voor het gebed. Waakzaamheid heeft in de Bijbel vaak te maken
met het onderkennen van dwaalleer.
(2:4 en 16-23)
Daarom is gebed zo belangrijk, want wie biddend gericht is op God, is beter
in staat dwalingen te ontdekken en weerstaan. Met je ogen dicht zie je soms
meer… Daarnaast heeft waakzaamheid ook te maken met het uitzien naar de
wederkomst. Straks komt Jezus terug en dat is een reden om anderen over
Hem te vertellen, zodat zij tot geloof komen. Daarin mogen we niet
verslappen, maar we moeten wakker blijven. En als iemand zich bekeert,
ervaar je dat God nog steeds aan het werk is en dat is een reden voor grote
dankbaarheid.
God werkt vaak via mensen die het evangelie verkondigen. Paulus stelde zijn
leven in dienst van die taak. Toen hij deze brief begon, schreef hij over
zijn onophoudelijke voorbede voor de Kolossenzen.
(1:3-11)
Dankend en biddend droeg hij deze gemeente op aan Gods zorg en aandacht. Nu
vraagt hij op zijn beurt of zij Paulus willen ondersteunen en bemoedigen met
gebed. Hij vraagt of ze voor hem willen bidden zoals hij voor hen bidt.
Maar dan gaat Paulus nog een stapje verder: hij vraagt ook of ze willen
leven zoals Paulus leeft en willen spreken zoals hij spreekt. Kijk maar in
vers 5 en 6, daar gaat het over het gedrag en het spreken tegenover
buitenstaanders. Alleen maar bidden voor de uitgezondenen is niet genoeg. Je
bent zélf een uitgezondene! Geloof in Christus geeft niet alleen liefde
voor elkaar, maar het geeft ook liefde voor buitenstaanders die
zonder geloof verloren gaan. Getuigen is daarom een taak voor elke gelovige.
Want in een christen kan de medemens Christus ontmoeten, door een christen
kan hij over Gods mysterie van wijsheid en kennis horen. Daarom
moeten wij ons wijs gedragen en weten hoe we moeten reageren.
Je ‘wijs gedragen’ heeft te maken met duidelijk zijn in je gedrag. Laat je
niet meeslepen door holle en misleidende theorieën, door opgelegde regeltjes
die je van je religie moet gehoorzamen. Wijs gedrag heeft alles te
maken met wat Paulus schreef in hoofdstuk 3: medeleven, goedheid,
bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld, vergevingsgezindheid,
verdraagzaamheid, liefde, vrede, dankbaarheid.
We moeten met dat gedrag elke gelegenheid benutten… Er staat
letterlijk in het Grieks: we moeten ‘onze tijd uitkopen’. Dat is het
tegenovergestelde van ‘je tijd verdoen’ met luilakken.
(vgl. 1 Petrus 4:3)
We moeten de tijd volledig gebruiken om zoveel mogelijk winst te maken voor
God. Want God maakt serieus werk van zijn reddingsplan. Hoe kunnen wij dan
lekker rustig in de kerk zitten en daarbuiten niets doen!? We moeten aan de
slag, om winst te maken voor Gods koninkrijk. Hoe? Gewoon door ons gedrag.
Want dat roept vragen op. Niet voor niets staat er in vers 6, dat we moeten
weten hoe we op de mensen moeten reageren. Reageren betekent
‘antwoorden’, en antwoord geven doe je op een vraag! Door ons gedrag gaan
buitenstaanders vragen stellen: hoe kan het dat je zo bent, waarom doe jij
zo…? En dan kun je antwoord geven, vriendelijk maar duidelijk.
(zie 1 Petrus 3:15-16)
Woorden van Goddelijke genade, uit liefde gesproken, maar wel met een
beslist karakter: dit is de waarheid! Geloof het! Laat je redden!
Ja maar…, zul je misschien denken, we kunnen toch niet allemaal een soort
‘Paulus’ zijn? Ik kan niet zo goed uitleggen, ik weet er niet zoveel vanaf,
ik weet nooit wat ik moet zeggen, …
Vreemd, dat de argumenten om niet te evangeliseren of te getuigen bijna
altijd te maken hebben met wat je moet zeggen. Terwijl Paulus het in
vers 5 en 6 nauwelijks heeft over wat je moet zeggen om een getuige te zijn.
Getuigen doe je allereerst met je gedrag. Jouw veranderde gedrag
roept vragen op en die vragen vormen de kansen om te getuigen. Zelfs in vers
6 gaat het niet over WAT je moet zeggen, maar HOE je het moet zeggen.
Een christen is dus door zijn veranderde, wijze gedrag dus automatisch een
getuige. Beantwoord gewoon eerlijk de vragen over hoe je bent en wat je doet
of juist laat. Vriendelijk, maar beslist.
En als je toch graag meer wilt weten over WAT je moet zeggen: blijf dan
dicht bij Christus, in Hem liggen alle schatten van wijsheid en kennis
verborgen. (2:3)
Dus: lees je Bijbel, bid elke dag. En kom naar de gemeente van Christus:
daar onderrichten en vermanen wij elkaar in alle wijsheid.
(3:16)
Dat gebeurt in de samenkomsten, in het pastoraat en in de kringen.
Nee, we kunnen en hoeven dus niet allemaal een Paulus te zijn. Maar we
kunnen een Paulus wel ondersteunen in zijn bediening! Want Paulus stond er
niet alleen voor, zo blijkt wel uit al die namen aan het eind. Hij werd
geholpen door Tychikus, die met Paulus was meegereisd op een zendingsreis en
met een brief van Paulus naar de gemeente van Efeze was gestuurd. Epafras,
de oprichter van de gemeente van Kolosse, zat later zelfs samen met Paulus
in de gevangenis. Barnabas en Marcus vergezelden Paulus op zijn
zendingsreizen. Ook Lucas was een trouwe helper van Paulus toen hij in Rome
gevangen zat. Samen zorgden deze helpers ervoor dat Paulus zijn taak kon
uitvoeren. Paulus stond dan wel op de voorgrond, maar hoe dankbaar is hij
voor deze helpers op de achtergrond! Zo mogen wij als gemeente in Soest ook
helpen op de achtergrond door zendelingen uit te sturen en te ondersteunen.
Dat doen we door onze voorbede, door financiële ondersteuning, door
praktische hulp te bieden.
Tychikus, Onesimus en Marcus waren trouwe helpers en zij brachten
boodschappen en brieven over. Aristarchus, Jezus Justus en Lucas werkten ter
plekke met Paulus mee, zelfs tot in de gevangenis. Zij waren een grote steun
en troost voor Paulus. Epafras was de volhardende bidder. Zij waren allemaal
van groot belang voor Paulus en zijn werk. Daarom worden hun namen genoemd.
De brief van Paulus aan de Kolossenzen is daarmee ook de brief van zijn
medewerkers; alle letters zijn zelfs door een medewerker opgeschreven.
Alleen de laatste groet is eigenhandig geschreven door Paulus zelf. Getuigen
is teamwork!
Jij hoeft dus geen ‘Paulus’ te zijn om het evangelie te verkondigen. Maar
misschien kun je wel een ‘Tychicus’ zijn of een ‘Epafras’. Ben jij iemand
die meestrijdt en meelijdt, iemand die praktisch ondersteunt of door gebed,
iemand die troost of bemoedigt? Door zo samen verantwoordelijkheid te dragen
voor zending en evangelisatie, brengen we als gemeente van Christus de
onderlinge eenheid en liefde in praktijk.
Dat ontslaat je trouwens niet van jouw eigen taak op jouw plekje in de
gemeente en daarbuiten. Jij bent toch door God uitgekozen, Zijn heilige, Hij
heeft jou toch lief? Als je hoofdstuk 3:12 op jezelf wilt toepassen, moet je
je ook aangesproken voelen door hoofdstuk 4:5-6. Dus ook jij moet je wijs
gedragen tegenover buitenstaanders en iedere gelegenheid benutten, ook jij
moet vriendelijk en beslist op de mensen kunnen reageren. Wees daarin niet
te bescheiden of nalatig, zoals Archippus misschien was, want dan mogen we
elkaar aanmoedigen: “Let erop dat u de taak die u
van de Heer hebt ontvangen, ook vervult.”
Het laatste zinnetje van deze brief helpt ons om actief te zijn voor de
Heer: Genade zij met u. Want genade is
in Romeinen 12:4-8 verbonden aan alle verschillende gaven die God aan
gelovigen geeft om mee aan de slag te gaan: Zoals
ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie
hebben, zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart,
elkaars lichaamsdelen. We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de
genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in
overeenstemming met het geloof gebruiken. Wie de gave heeft bijstand te
verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet
onderwijzen. Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets
weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat
doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin
blijmoedig zijn.
We hebben niet allemaal dezelfde taak en daarom ook niet allemaal dezelfde
gaven gekregen. Maar samen vormen we met al die gaven één lichaam dat de
taak die het van de Heer ontvangen heeft kan vervullen. En die taak is: het
mysterie van Christus te verkondigen, dat bestemd is voor alle volken:
Christus is in ons – God met ons, Immanuël. Hij is de hoop op goddelijke
luister en een vervuld leven. (1:27,
2:10) Want Hij is de Weg en de Waarheid
en het Leven. (Johannes 14:6)
Dat mag ons heldere geluid zijn in de verwarrende kakofonie van religieuze
geluiden! Genade zij met u.
Amen
Soest, 15 november 2009
|