|
Kruis of
munt?
Matteüs
22:15-22
Is een zebra zwart met
witte strepen of wit met zwarte strepen? Zo’n vraag is moeilijk te
beantwoorden. Het is een strikvraag, zeggen we dan. Toch is een echte
strikvraag veel gevaarlijker, het woord zelf zegt het al: je loopt door een
antwoord te geven regelrecht in de val. De wetenschapper Douglas Walton
heeft veel onderzoek gedaan naar strikvragen, ’t is maar wat je vak is… Het
standaardvoorbeeld van een strikvraag is volgens hem: “Ben je al gestopt met
het mishandelen van je partner?” Het is een gesloten vraag met maar twee
mogelijke antwoorden. Maar het gemene is nu, dat beide antwoorden ervoor
zorgen dat je aangeklaagd kunt worden voor mishandeling! Kijk maar: als je
‘ja’ antwoordt, beken je feitelijk, dat je je partner hebt mishandeld, ook
al ben je nu dan gestopt. Maar als je ‘nee’ antwoordt (want je hebt nog
nooit iemand mishandeld), klinkt het als een bevestiging, dat je nog steeds
bezig bent met mishandelen. Welk antwoord je ook geeft, je bevestigt de
onuitgesproken vooronderstelling, dat je je partner mishandelde.
Bij het verhoren van verdachten maakt justitie wel eens gebruik van deze
strikvraagtechniek. Bijvoorbeeld door te vragen: “Had u het wapen thuis
verstopt?” Een verdachte die de valkuil niet ziet, zal vrij vlot met ‘ja’ of
‘nee’ antwoorden en daarmee geeft hij impliciet toe, dat hij een wapen heeft
gehad.
Een strikvraag is dus bedoeld om je iets te laten zeggen, waarmee je jezelf
schuldig verklaart. Jezus is meerdere keren met een strikvraag bestookt,
zoals ook in het Bijbelgedeelte dat we nu gaan lezen.
Lezen
Matteüs 22:15-22
Het loopt bij ons ook weer
richting 1 april, dus de belastingopgave moet de deur uit. Stel je toch eens
voor, dat Jezus had gezegd, dat belasting betalen onzin is… Nee, nu niet
meteen aan je eigen bankrekening denken!
Ik bedoel dit: wat zou er met Jezus gebeurd zijn, als hij zo’n antwoord had
gegeven? Ze hadden Jezus vast overgeleverd aan de Romeinen: alweer zo’n
Joodse oproerkraaier. Jezus zou een Romeins gevangene worden, zoals er al
vaker Joden gevangen waren gezet vanwege hun oproep om geen belasting te
betalen. De schrijver Flavius Josephus vermeldt dat er vaak opstanden zijn
uitgebroken in Israël vanwege de verplichting om elk jaar een denarie
belasting te betalen aan de keizer van Rome. Dus door de vraag “mogen we
belasting betalen aan de keizer” met ‘nee’ te beantwoorden, zou Jezus
zichzelf uitleveren. Dat zouden de Farizeeën uiteraard heel prima vinden!
Dan waren ze eindelijk van Hem af en luisterde het volk weer naar hén.
En wat als Jezus zou zeggen, dat je wél belasting moet betalen? Dan zou
Jezus in feite de macht erkennen van de Romeinse keizer. Daarmee zou Hij
aantonen, dat Hij niet de Messias was. Tenslotte verwachtte men van de
Messias, dat deze het volk van Israël zou bevrijden. De Messias zou toch de
Romeinse overheersers gaan verjagen! Als Jezus instemde met het betalen van
belasting, zouden de Farizeeërs aan het volk duidelijk maken, dat ze maar
beter niet meer moesten luisteren naar deze nep-messias.
Ziedaar de strik in de
vraag. Wát Jezus ook zou antwoorden, het zou altijd tegen Hem gebruikt
worden. Dat het ook echt de bedoeling was om Jezus erin te luizen, zie je
duidelijk aan vers 15: de Farizeeën gingen overleggen hoe ze Hem konden
vangen. Ze besluiten daarbij zelfs een samenwerkingsverband aan te gaan met
de Herodianen; dat waren aanhangers van koning Herodes en ze waren trouw aan
de Romeinse keizer.
Die Farizeeën gingen dus wel ver in hun haat tegen Jezus: zelfs politieke
tegenstanders worden vrienden om Jezus te vangen met een strikvraag. Het
lijkt wel een beetje op het inhuren van getuigen: de Farizeeën stuurden hun
leerlingen als bewakers van het Joodse goed (waaronder het geloof in de
bevrijder, de Messias). Die konden Jezus vangen als Hij instemde met
belasting betalen. Daarnaast stuurden ze Herodianen als verdedigers van de
Romeinse macht (waaronder het betalen van belastingen); zij konden Jezus
vangen als Hij het betalen van belastingen afkeurde.
En zo komen die twee partijen eerst samen een beetje slijmerig doen. Maar o,
wat spreken ze eigenlijk een waarheid uit: “Wij weten, dat u de waarheid
bent en de weg van God leert en oprecht eerlijk bent.” Wat een getuigenis!
Het doet me denken aan Jezus’ eigen woorden: “Ik
ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”
(Joh.14:6) Maar na deze lovende inleiding komt dan
die strikvraag. Helaas voor hen antwoordde Jezus niet met een eenvoudig ‘ja’
of ‘nee’. Hij had hun boze opzet door en zei hen dat ook. En toen vroeg
Jezus hen om een belastingmunt.
Zo’n munt – een denarie – hadden ze natuurlijk wel bij zich, in elk geval
één van de Herodianen wel. Jezus vestigde de aandacht op de afbeelding en
het opschrift van de munt. Op een denarie stond in die tijd een plaatje van
het hoofd van keizer Tiberias en het opschrift luidde: “Hoogverheven zoon
van de hoogverheven god”. Nogal een Godslasterlijke eretitel in Joodse oren,
nietwaar!? Niet gek dus, dat het verboden was om in de tempel te Jeruzalem
met Romeins geld te betalen. Vandaar die levendige ruilhandel op het
tempelplein. Romeins geld was Godslasterlijk en daarom moest je het omruilen
voor tempelgeld. Dat tempelgeld had alleen maar symbolische afbeeldingen of
plaatjes van planten. Met deze wisselhandel werd overigens wel grof geld
verdiend over de hoofden van de gelovigen. Vandaar dat Jezus na zijn intocht
in Jeruzalem de tafels van de geldwisselaars omver gooide in de tempel.
(Zie Mat.21)
Met Romeins geld wilde een echte Joods dus niets te maken hebben. Het
antwoord van Jezus is dan eigenlijk ook wel heel simpel: “Deze munt bevat de
afbeelding van de keizer en een tekst die de keizer goddelijke eer geeft. De
munt is daarmee zijn eigendom en aan hem toegewijd. Geef de keizer dus maar
wat hem toekomt.”
Toch is hiermee de kous niet af… Er volgt nóg iets in het antwoord van
Jezus, iets dat misschien nog wel belangrijker is.
“… en geef aan God wat van God is.” Wellicht een wat cryptische
zin, maar zeker een zin met een hele diepe wijsheid! Denk nog eens goed na
over de vraag die Jezus stelt en vervolgens over dit antwoord. Jezus vroeg
naar de afbeelding en het opschrift. Door de afbeelding en het opschrift
wordt duidelijk dat een denarie toebehoort aan de Romeinse keizer. En Jezus
gaat in één en dezelfde zin verder over wat aan God toebehoort.
Maar wát behoort er dan toe aan God? God heeft toch geen munten uitgegeven
met zijn afbeelding en opschrift? Wat draagt dan wel Gods beeld en
opschrift? Even zoeken in de Bijbel leert ons, dat het begrip ‘beeld van
God’ in de Bijbel op twee manieren wordt gebruikt:
- als omschrijving van de mens, zoals die door God geschapen is; en
- als omschrijving van Jezus Christus.
Laten we met het laatste beginnen. Hét beeld van God is Jezus. Zo wordt dat
gezegd in 2 Korintiërs 4:4: “… Christus, die het
beeld van God is.” En we lezen het ook in Kolossenzen 1:13-15:
“…zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft
gebracht, de vergeving van onze zonden. Beeld van God, de onzichtbare, is
Hij, eerstgeborene van heel de schepping…”
En dat brengt me op een interessante gedachte: Jezus draagt het beeld van
God én Hij draagt als enige met recht de titel “Hoogverheven Zoon van de
Hoogverheven God”. Dus… Jezus is als het ware de belastingmunt van God…! Hij
is het die onze belasting betaalt aan God, want Hij heeft ons vrijgekocht
van de last van de zonde. En Hij betaalde niet met munt, maar met kruis…
Kijk maar wat Petrus zegt in zijn eerste brief
(1:18-19): “U weet immers
dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht (…)
maar met kostbaar bloed (…) van Christus.”
(Zie ook Galaten 3:13) En aan de Korintiërs
schrijft Paulus tot tweemaal toe: “U bent gekocht
en betaald…” (1 Korintiërs 6:20 en 7:23)
Jezus was dus Gods losgeld om ons vrij te kopen van de zonde die ons belast.
Hij draagt Gods beeltenis en het bijpassende opschrift. Dus ten diepste
vraagt Jezus hier aan de Farizeeën en Herodianen, of ze Hem erkennen als
beeld van God.
• Door een Romeinse munt bij zich te dragen en als belasting af te staan aan
de keizer, erkennen ze de keizerlijke macht.
• Door Jezus als het Lam van God te herkennen en Hem als de betaalmunt van
de zondebelasting te zien, zouden ze zijn goddelijke macht erkennen.
En daar gaat het hier dus fout: hun strikvraag was bedoeld om Hem – hoewel
Hij voor Goddelijke eer bestemd is – desnoods maar uit te leveren aan de
Romeinse macht. Romeins belastingsgeld mocht dus niet in de offerkist van de
heilige tempel belanden, maar blijkbaar mag Gods Belastingsmunt wel worden
opgeofferd aan de heidense Romeinse keizer…
Met dit antwoord van Jezus wijst Hij ons dus niet alleen op het wereldse
geld met een afbeelding van een aardse koning. Het wijst ons bovenal op het
Goddelijke geld met de menselijke Afbeelding van de hemelse Koning.
En zo stelt Jezus ons door dit verhaal ook die vraag: “Erken je Mij, als
beeld van God, als Hoogverheven Zoon van de Hoogverheven God? Accepteer je
het kruis als de munt waarmee Ik jouw schuld betaalde? Geloof je dat Ik door
mijn sterven de belastende verklaringen die er tegen jou waren, officieel
teniet heb gedaan?” Paulus schrijft daarover aan de Kolossenzen:
“God heeft u samen met Christus levend gemaakt toen
hij ons al onze zonden kwijtschold. Hij heeft het document met voorschriften
waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het
kruis te nagelen.” (Kolossenzen
2:13b-14)
Jezus is dus hét beeld van
God. Maar er was nóg een beeld van God. Dat is de mens; dat ben jij en ik!
“God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld
zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van
de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over
alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als
evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de
mensen.” (Genesis 1:26-27)
Dus ook wij mensen dragen als het ware de beeltenis van God. Mensen zijn
door God gemaakt om Hem te dienen door te heersen over Zijn schepping. Wat
de afbeelding draagt van de keizer, komt de keizer toe. Maar wat het beeld
draagt van God, komt God toe.
Jezus wijst de toehoorders (én ons dus) op een hogere weg: geef jezelf als
beelddrager van God aan Hem. Aan God geef je méér dan je geld en je tijd. Je
geeft jezelf; dat is: je mens-zijn, je identiteit. Belasting betalen is dus
prima, collectegeld offeren aan God is ongetwijfeld ook een goed idee. Maar…
het gaat eigenlijk niet om je geld, maar om je hart! Daar worden de
luisteraars bij Jezus dus haarfijn op gewezen. Wat zit er in je hart? Als
beeld van God zal dat toch geen haat moeten zijn, waardoor je plannetjes
beraamt om een Goed Mens met een strikvraag te vangen? Een hart dat past bij
een menselijk evenbeeld van God wordt gedreven door
”… liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid
en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing!”
(Galaten 5:22-23) Bij de kern
van je mens-zijn gaat het dus om dat wat in je hart leeft en wat je daarin
aan God en je medemens geeft.
Het gaat God helemaal niet om geld, maar om jouw identiteit, je diepste ik
en de vrucht van Gods Geest die in je is. Welke ruimte krijgt de Heilige
Geest in jouw hart om een schat in de hemel te verzamelen? Dat is ook de
boodschap die ik haal uit de ontmoeting tussen Jezus en de rijke jonge man:
“Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag:
‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’
Hij antwoordde: ‘Waarom vraag je me naar het goede? Er is er maar één die
goed is. Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan zijn geboden.’
‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus, ‘pleeg geen moord, pleeg geen
overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw
vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’ De jongeman zei:
‘Daar houd ik me aan. Wat kan ik nog meer doen?’ Jezus antwoordde hem: ‘Als
je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef
de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom
daarna terug en volg mij.’ Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen
weg; hij had namelijk veel bezittingen.”
(Matteüs 19:16-22)
Deze jongeman klinkt misschien als een opschepper, maar dat zijn denk ik
meer onze eigen interpretaties. Wanneer ik de tekst onbevangen lees, geloof
ik dat hij oprecht was. Hij probeerde zuiver te leven volgens alle wetten en
regels en toch verlangde hij nog naar meer. Dat ik hem zo positief
beoordeel, komt door datgene wat Markus bij zijn beschrijving van deze
gebeurtenis schrijft: “En Jezus, hem aanziende,
kreeg hem lief…” (Markus 10:21 NBG’51)
Jezus ging van deze oprechte en goede man houden, Hij zag
zijn oprechtheid en zijn verlangen. Maar dan wijst Jezus hem precies op z’n
allerzwakste plek: wat heeft jouw hart, wat is jouw echte schat? Is dat een
schat in de hemel? Of… een schat in de kluis?
Leven volgens de regels van de Thora is uitstekend, maar dat is blijkbaar
niet wat God verlangt. De rijke man moest nog één stap verder. De stap die
hem zijn hart, zijn trots zou kosten, maar die ruimte voor Gods Geest zou
geven: geef je rijkdom op en volg Jezus. En net die ene stap kon hij niet
zetten. Hij moest kiezen tussen kruis of munt en koos voor munt.
Was het nu een slechte man? Nee, dat mag je denk ik echt niet zeggen. Jezus
hield tenslotte van hem! Hij moordde niet, was niet ontrouw, hij stal niet,
hij loog niet, hij eerde zijn ouders, hij had zijn naaste lief als zichzelf!
Wie van ons kan dat volmondig van zichzelf zeggen? Wat was hij al ver! Maar
net die laatste stap in zijn hart kon hij niet aan. Want rijkdom was toch
ook een zegen van God? Moest hij dat alles dan opgeven? Met lege handen en
lege zakken bij Jezus komen aankloppen? Dat sneed hem in zijn ziel: hij ging
niet voor niets terneergeslagen weg! Dat is heel wat anders dan
‘teleurgesteld’. Hij was helemaal depri: dit kon hij niet aan. God vroeg
teveel: God vroeg hem zijn identiteit als rijke jonge man op te geven. Zó
kennen wij hem toch: als ‘de rijke jongeling’! Rijkdom was dus een
belangrijk deel van zijn identiteit.
Kijk nu eens naar jezelf. Kun jij het wel? Met lege handen en lege zakken
bij Jezus komen, omdat je niets meer van jezelf hebt? Heb jij jezelf – je
diepste ik - als munt met de afbeelding van God aan Hem gegeven? God geven
wat Hem toekomt is dus meer dan geld. Je geeft jezelf, omdat ook jij het
opschrift mag dragen “Zoon/dochter van de Hoogverheven God”. Zo mag je toch
heten, als je Jezus als Gods Hoogverheven Zoon erkent!?
“Wie hem (…) ontvingen en in zijn naam geloven, heeft
hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.”
(Johannes 1:12, zie ook Psalm 8:6 “U
hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie…”)
We leren uit deze verhalen dus twee prachtige lessen met daaraan verbonden
twee dringende oproepen:
• LES 1: Jezus is Gods muntgeld, waarmee de belastingschuld van onze
zonden is betaald.
OPROEP: Erken je zijn
kruisdood als het betaalmiddel voor jouw zonden? Aanvaard je Hem als het
zoenoffer, waardoor je weer schuldloos voor de grote Koning kunt staan? Wil
je Jezus daarvoor de eer geven die Hem toekomt?
• LES 2: Ook wij zijn Gods beeld en daarom moeten wij onszelf aan Hem
geven, omdat Hem onze eer toekomt.
OPROEP: “U bent gekocht en betaald, dus bewijs God
eer met uw lichaam.” (1 Korintiërs 6:20)
Je lichaam is namelijk een tempel van Gods Geest: je draagt niet alleen Gods
beeltenis, maar bij je nieuwe identiteit ontvang je ook Gods Ruach
(Geest/Adem); het beeld van God wordt daardoor een Levende Geest! Dan ga je
groeien, dan ga je vrucht dragen: ”… liefde,
vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof,
zachtmoedigheid en zelfbeheersing!” Dan leef je tot eer van God
en tot een zegen voor de mensen om je heen.
Zo eindigen we weer bij een strikvraag: wat kies jij, kruis of munt? Het is
een strikvraag, want je mág niet kiezen: Het kruis is de munt! Door de dood
aan het kruis is onze schuld betaald! Hoe kunnen we God daar ooit voor
bedanken?
• Door jezelf aan Hem te geven met alles wat je hebt. Door je identiteit als
zondig mens in te ruilen voor een vernieuwde identiteit: kind van de
hoogverheven God, tempel van de Heilige Geest. Door steeds meer gedreven te
worden door liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid,
geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.
• En we kunnen God ook bedanken met klinkende munt – of beter gezegd ‘áls
klinkende munten”: zingend dus, door als beelddragers van God Hem lof toe te
zingen voor het lijden en sterven van Jezus voor ons.
Amen
Capelle aan den IJssel, 26
maart 2006
De bijbelteksten in deze preek zijn – tenzij anders
aangegeven – ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands
Bijbelgenootschap 2004
|