|
Wie zeggen jullie dat Ik ben?
Overdenking & groepsbespreking n.a.v. Lukas
9:18-23
Mijn naam is Ite. Toch word
ik lang niet altijd zo genoemd. Thuis zeggen twee van mijn huisgenoten
‘papa’ tegen me, en de derde zegt altijd ‘schat’ of ‘lieverd’. Op school
zeggen de kinderen ‘meester’ en in een winkel noemen ze me ‘meneer’. Als ik
spreek bij een baptistengemeente word ik aangesproken als ‘dominee’. Wanneer
ik in het verkeer iets doms doe, roept de ander ‘sukkel’ tegen me.
Ondanks deze veelheid aan woorden, passen al deze namen of titels wél bij
me. Ze vormen allemaal een deel van mijn identiteit. Ik bén papa, een schat,
de meester, een meneer, een soort dominee én soms een behoorlijke sukkel.
Tegelijkertijd zegt het ook iets over degene die me aanspreekt: namelijk
over wie hij of zij is en welke relatie je met mij hebt. Als Ezra ‘papa’
tegen me zegt, is dat een uiting die onze relatie weerspiegelt: ik ben zijn
vader, dus hij is mijn kind. Degene die ‘sukkel’ tegen mij roept, geeft aan
dat hij mij dom vindt en dus zichzelf beter. Dat hij een scheldwoord
gebruikt, zegt duidelijk dat hij geen relatie met me heeft, maar afstand
tussen ons schept.
Een naam of aanspreektitel heeft dus twee kanten: het zegt iets over de
aangesprokene, maar ook iets over degene die het uitspreekt: over de
onderlinge relatie en zijn of haar eigen identiteit.
Jezus heeft behalve zijn
naam ‘Jezus’ ook veel aanspreektitels. Welke komt het eerst in je op? Bedenk
nu eens wat dat over Jezus zegt? En vervolgens wat dat over jou zegt? Want
iets over Jezus zeggen is ook iets zeggen over jezelf. Over waar je naar
verlangt of over wat je nodig hebt of belangrijk vindt in het leven.
In de Bijbel stelt Jezus de
vraag naar zijn identiteit. We gaan daarover lezen in Lukas 9:18-23.
En het gebeurde, toen Hij in persoonlijk gebed was, dat de discipelen in
Zijn nabijheid waren. En Hij vroeg hun: Wie zeggen de menigten dat Ik ben?
Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer
anderen dat een van de oude profeten opgestaan is. Hij zei tegen hen: Maar
u, wie zegt u dat Ik ben? Petrus antwoordde en zei: De Christus van God. En
Hij sprak hen streng toe en beval dat zij dit tegen niemand zeggen zouden.
Hij zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de
oudsten, overpriesters en schriftgeleerden, en Hij moet gedood en op de
derde dag opgewekt worden. Hij zei tegen allen: Als iemand achter Mij wil
komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij
volgen.
(Herziene Statenvertaling)
Vlak voor dit verhaal heeft
Jezus met vijf broodjes en twee visjes een menigte mensen te eten gegeven.
Lukas vertelt vanaf het moment dat Jezus met zijn bediening begint in een
hoog tempo over alles wat er gebeurd is. Let maar eens op hoe vaak Lukas
verhalen verbindt met En toen... Zo vertelt een enthousiast kind ook
wat er allemaal gebeurd is. In een hoog tempo passeren wonderen, genezingen,
toespraken. Het gevolg was, dat behalve de twaalf discipelen een enorme
menigte mensen Jezus volgde en Jezus sprak uitgebreid met hen over het
Koninkrijk van God (9:11).
Vlak voor ons Bijbelgedeelte komt het dus tot een hoogtepunt, wanneer Jezus
die enorme massa mensen wonderlijk meer dan genoeg te eten geeft. Het is een
prachtige illustratie van de overvloed van leven die Gods Koninkrijk
kenmerkt.
Op dit punt gekomen, vraagt Jezus zijn discipelen: Wie zeggen de menigten
dat Ik ben? Naar deze vraag heeft Lukas in het voorgaande al toegewerkt.
We lezen dat in 9:7-9. Koning Herodus, die Johannes de Doper had laten
onthoofden, verkeerde in onzekerheid, omdat door sommigen gezegd werd dat
Johannes uit de doden was opgewekt. Hij herkende in Jezus blijkbaar iemand
die de waarheid rechtuit vertelde. Dat koning Herodes Hem ziet als de
opgewekte Johannes, zegt iets over Jezus: Hij spreekt waarheid, Hij is de
Waarheid. Tegelijk zegt het iets over de diepste identiteit van Herodes: hij
is bang voor de waarheid, want hij wéét dat hij een zondig mens is.
Het volk keek anders: het verwachtte een bevrijder en herkende hun
messiaanse dromen en verwachtingen in Jezus. Zou Hij misschien de Elia zijn,
door God beloofd voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heer komt? De
profeet waarover Maleachi had gesproken? Sinds Maleachi waren er geen
profeten meer opgestaan en nu al zo’n 400 jaar had Gods stem gezwegen. Maar
deze Jezus spreekt woorden met goddelijke glans; woorden van hoop en leven,
van recht en gerechtigheid, van terugkeer naar de Thora. Of zou Hij één van
de oude profeten zijn? Jeremia? Mozes?
(Deut. 18:18, Mal. 4:4-6, Mat. 16:14, Qumran 4Q175)
Al deze profeten hadden gesproken over de eindtijd, een verwachting
opgeroepen van herstel voor Israël op de grote Dag van de Heer – een
verwachting die zowel hoop als angst opriep. Zou Jezus voor die ommekeer
gaan zorgen? Voor herstel van het koninkrijk Israël en voor bevrijding van
het land dat God aan Abraham had toegewezen?
De discipelen antwoordden Jezus wat ze de mensen allemaal hadden horen
suggereren.
Maar dan komt de vraag
opeens heel dichtbij: Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? Nu
wordt de vraag gesteld aan de intieme vrienden, die dagelijks Hem volgden en
alles hadden meegemaakt: de wonderen, de genezingen, de macht van Jezus over
demonen en de natuur. Vaak waren ze diep onder de indruk geweest, soms in
verwarring en dan weer hadden ze – net als de andere toeschouwers – gezucht
Wie is Hij toch? (4:36, 5:8,
5:21, 7:16, 7:19-20, 7:49, 8:25) Ze
hadden demonen horen schreeuwen: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon
van God de Allerhoogste? (8:28)
Ik weet wie U bent, namelijk de Heilige van God.
(4:34)
Petrus reageert direct: U bent de Christus van God. U bent de
Messias. Dát is voor Petrus, na alles wat hij heeft meegemaakt, duidelijk
geworden. Dát is ook waar Petrus zo sterk naar verlangde: bevrijding van de
overheersers. Hij wilde later ook wel vechten als een soldaat om zijn
Meester te beschermen en bevrijden. Hij trok het zwaard en sloeg er op los.
(22:29-50)
Vurig verlangde Petrus naar het herstel van
het Koninkrijk en alles wat hij met Jezus had meegemaakt had dat verlangen
sterker gemaakt. Hij had er alles voor over gehad: zijn gezin en zijn werk
had hij in de steek gelaten om Jezus te volgen. En door alles heen had hij
Jezus herkend als de Messias die God gestuurd had. De Messias of Christus,
de Gezalfde of Verlosser: Hij is de nieuwe Koning van Israël! Deze
belijdenis van Petrus spreekt duidelijke woorden over Jezus, maar het zegt
tegelijk iets over de identiteit van Petrus: hoe hij verlangt naar het
messiaanse koninkrijk en naar verlossing.
Dit is de climax waar Lukas
naar toe werkte. Al het voorgaande loopt uit op deze krachtige woorden: “U
bent de Gezalfde van God!” En het is de waarheid! Op dit moment gekomen,
slaat ineens voor ons gevoel de stemming om. In plaats van juichend naar
Jeruzalem te trekken met een menigte volgelingen van Israëls Verlosser,
beveelt Jezus dat de discipelen hun mond moeten houden over wie Hij is. En
voor het eerst horen we Hem aankondigen, dat Hij als Messias allereerst de
Mensenzoon is, die veel moet lijden, verworpen zal worden, gedood en –
gelukkig – ook weer opgewekt.
Jezus onthult hier het
diepste geheim van zijn identiteit als Messias. Als Messias van God is hij
verbonden aan Gods plan: de Hemelse Koning is als Zoon des mensen gekomen om
ons tot mensen van de Zoon te maken. Het is een goddelijk reddingsplan, maar
niet met een politieke of militaire bevrijdingsactie. Er hoort overwinning
en een leven in vrijheid bij, maar ook lijden, pijn, eenzaamheid, bespotting
en dood. Voordat Hij als Messias koning zal zijn, is er nog een weg te gaan
die niet bepaald koninklijk is. Voor Hij op Davids troon zal zitten, krijgt
Hij eerst een doornenkroon... Jezus Koningschap is niet politiek, maar heeft
in de eerste plaats een persoonlijke dimensie voor zijn volgelingen. Een
dimensie die veel dieper gaat, die namelijk het diepst van jouw identiteit
raakt! Wie ben jij? Wat heb jij nodig? Waar verlang jij het allermeest naar?
Dat zijn de vragen die God ons via Jezus stelt.
Als je Jezus ‘Redder’ noemt, erken je daarmee dat jij een redder nodig hebt!
Wie zichzelf een goed mens vindt, zal Hem namelijk eerder ‘goed mens’ of
‘voorbeeld’ noemen. Als je Jezus ‘Goede Herder’ noemt, erken je dat je
verdwaald bent geraakt, maar dat Hij je weer op het rechte spoor bracht en
nu voor je zorgt. Als je gelooft dat alle godsdiensten naar dezelfde God
leiden, noem je Jezus een ‘verlichte profeet’, zoals er meer zijn geweest:
Boeddha, Confucius, Zoroaster of Mohammed. Als je Jezus ‘Heer’ noemt, erken
je dat Hij boven je staat en het over jouw leven te zeggen heeft.
Ons mensbeeld en ons wereldbeeld komen dus duidelijk mee in wat we belijden
over Jezus.
In vers 23 spreekt Jezus tegen allen. Dan heeft Hij het dus niet alleen
tegen de twaalven, maar tegen de hele menigte die Hem volgde. Wat Jezus dan
over de identiteit van zijn volgelingen zegt, gaat nog een stap verder....
Iedereen die Jezus wil volgen, mag namelijk deel van Hem zijn. De gelovigen
vormen samen het lichaam van Christus
(1Kor.12:12-27). Als je bij Hem hoort,
krijg je dus deel aan zijn identiteit als Messias:
• Jezus zal verloochend en verworpen worden – jij moet jezelf verloochenen;
• Jezus zal zijn kruis opnemen – jij moet dagelijks je kruis opnemen.
Als je Jezus volgt als Messias, kan dat een weg betekenen van lijden,
verwerping en pijn. Dat is iets wat je uit jezelf nooit zal kiezen. Je moet
je eigen wensen en verlangens ervoor aan de kant zetten – jezelf
verloochenen. Je kunt dat alleen, wanneer je de diepe overtuiging hebt, dat
bij Jezus uiteindelijk woorden te vinden zijn van eeuwig leven. Veel
volgelingen van de menigte lieten Jezus later in de steek, want zijn woorden
waren voor hen te hard. (Johannes 6:60,
66) Jezus stelde toen zijn vrienden de
vraag: Willen jullie soms ook weggaan? Weer is het Petrus die een
antwoord uit geloof geeft: Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt
woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus
bent, de Zoon van de levende God. (Joh.
6:67-69)
Wie de diepe identiteit van
Jezus leert zien, ontdekt gaandeweg, dat je bij Hem moet zijn voor genezing
van je ziel, voor eeuwig leven, redding en vergeving van zonden. Dan ben je
bereid om jezelf te verloochenen en jouw eigen identiteit te zien in die van
Jezus. Je volgt Hem, omdat Hij heeft wat jij nodig hebt. En zo brengt Hij je
bij God, want Hij is de Weg en de Waarheid en het Leven. Wie zijn identiteit
in Christus heeft gevonden, wordt door God zelf als zoon gezien en Hij
rekent je in Jezus verlossing en vergeving toe.
(1Kor.1:30, Efeze 1:4-14)
Dan loopt de weg van het kruis uiteindelijk uit op rechtvaardiging, eeuwig
leven, heerlijkheid en vrede met God. (Rom.
3:21-26, 6:4-14, Efeze 2:1-8, Kol.2:9-14)
Amen
Soest, 27 november 2011
Vragen t.b.v. bespreking in
groepjes:
Wie is Jezus voor jou?
- Kun je het samenvatten in één woord of zin? Wissel dit kort met elkaar
uit.
- Probeer ook te ontdekken wat dit wellicht over jouw identiteit zegt.
Jezus spreekt in Lukas 9:22
voor het eerst over wat Messias-zijn inhoudt. Dat was heel anders dan de
discipelen gedacht of gehoopt hadden. Ze moesten hun beeld over Jezus
herzien.
- Heb jij ooit je beeld over Jezus herzien? Kun je hier iets over
vertellen?
‘Als iemand achter Mij wil
komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij
volgen.’ (Lukas 9:23)
- Wat zou Jezus bedoelen met ‘jezelf verloochenen’?
- Wat zou Jezus bedoelen ‘je kruis dagelijks opnemen’?
- Waarom zou dat ‘dagelijks’ moeten?
‘Indien kruisdragen
betekende: het negatieve nemen, dan zou het een part-time job zijn. Maar nu
kruisdragen betekent: het positieve geven, hebben we er onze handen vol aan,
ons leven lang, elke dag.’ (ds. J.H.
Veefkind)
- Wat zou ds. Veefkind bedoelen?
Wat vind je van deze interpretatie?
|